Twickelbulletin pagina 17 5 1977

Herman in Hermanninc, Richard in Rickardinck. Rupert in Ru- perinc, Wieger in Wicherinc, Wisse in Wissink. Wisse is nu vooral een zeeuwse naam; we vinden hem in het dorp Wisse- kerke, dat in 1336 Wissinckerke heette. En een aantal namen komen nog in Friesland voor, zoals Asse, Eggerd, Udo, waar de oude germaanse namen, zij het vaak in sterk yersleten vorm, het best bewaard zijn gebleven. De germaanse voornamen-achternamen had men toen niet-beston- den oorspronkelijk uit twee woorden, die elk een eigen bete- kenis hadden, maar waarvan de samenstelling meestal weinig zinvol was. In sommige kunnen we nu nog wel enige zin ont- dekken: Bernhard en Evetehard, zo “hard”, dwz- sterk als een beer of ever, maar dat is maar een zeldzaamheid; voor het jaar 1000 begrepen de dragers van die namen niet meer wat ze voorstelden en vele namen werden tot een lettergreep ver- kort. Bij de kerstening van deze gebieden gingen veel germaanse namen, die in de ogen van de zendelingen te heidens waren, verloren en werden vervangen door christelijke, vooral van heiligen. Maar ze konden wel de germaanse uitgang “ing” krijgen: een goed voorbeeld is Johannink, onder welke naam een erve bij Bentelo in 1188 als Iohanning werd vermeld. In onze lijst vinden we ook Konink, die van een germaanse naam afgeleid kan zijn. Er heeft een naam Kono bestaan, van het oudsaksische “koni”, het nederlandse “koen”; maar Konink kan °ok een bijnaam geweest zijn, van iemand die schutterskoning geweest is. Dubieus is ook Bruggink; het erve kan bij een brug gelegen hebben, maar er is ook een geval bekend, Brug ­ gink bij Lochem, dan in 1313 zowel Bruggink als Brugking heette. Wanneer dat de laatste vorm als de oorspronkelijk be- schouwen, dan schuilt hierin de voornaam Burgico, een vlei- naam bij Burgo, welke als Burg nog bestaan. De “r” in de aaam kon van plaats verspringen, een taalkundig verschijnsel dat als metathesis bekend staat. On nog even op Wissink terug te komen, die kan van oude vor- ®en als Wissing, Wisking en Witzing stammen, waaraan respec- tievelijk ten grondslag liggen Wisso, Wisko en Witzo. De heide eerste komen van “wis”, het nederlandse “wijs”, maar Witzo kan afgeleid zijn van Witto, van het werkwoord “wi- ta n”, het nederlandse “weten”. Hieruit blijkt dat men nooit a lleen op de huidige vorm van de naam kan afgaan; alleen de °udste vermeldingen kunnen ons over het ontstaan ervan in- ^ichteri. . (wordt vervolgd)