gepaard metvkaalkap, grondbewerking, bemesting, onkruidbestrijding, aanplant van snelgroeiende uitheemse soorten en verkorting van de omlooptijd. -kunstmatige verhoging van de wildstand ten behoeve van sommige vormen van jacht waardoor voldoende bosverjonging alleen mogelijk is door gebruik te maken van veel rasters” (De te hoog geachte kosten hiervan worden soms als argument aangevoerd om af te zien van natuurlijke verjonging als onderdeel van het bosbouw-bedrijf). Gingen nog niet eens zo lang geleden landbouw en natuurbehoud goed samen, hetzelfde geldt ook voor de relatie bosbouw en natuurbehoud op veel oudere landgoederen: de eens zo gelukkige harmonie dreigt om te slaan in een uit elkaar groeien van doelstellingen en werkwijzen. In onze samenleving zouden, juist tegenwoordig, de landgoederen de funktie moeten blijven vervullen om de vele inwendige beheersgrenzen (landbouw, jacht, bosbouw, natuurbehoud) op te heffen en te komen tot een integraal (samenhangend) beheer vanuit een beheersvisie, die al deze aspekten omvat en in goede onderlinge verhouding naast elkaar laat bestaan. Het is de opvatting van schrijver dezes, dat men deze opgave niet moet zien als conflictstof maar als uitdaging. Deze gedachte wordt hieronder toegelicht aan de hand van een praktijkvoorbeeld op het raakvlak bosbouw/natuurbehoud. Kunnen bosbouw en natuurbehoud op een landgoed samengaan? Tijdens zijn werkzaamheden is aan ondergetekende door het Bestuur van deStichting Twickel verzocht kommentaar te geven vanuit zijn visie als ecoloog op de kap- en verjongingsplannen van 1981 en 1982 voor Twickel, die opgesteld zijn door’t Schoutenhuis. Hiertoe zijn de voor eindkap voorgedragen percelen op hun natuurwetenschappelijke waarde getoetst aan de hand van de volgende kriteria: gaafheid, volgroeidheid, en zeldzaamheid van het betreffende bostype en het al dan niet voorkomen van bijzondere flora- en fauna-elementen. Bovendien zijn opmerkingen gemaakt over het wenselijk beheer bezien uit natuur- technisch standpunt, dat samenhangt met beheers-faktoren als omlooptijden (van loof/naaldhout), kapsystemen (kaalslag/andere vormen), schaligheid (groot/klein), herbebossing (soortenspektrum, aanplant en/of natuurlijke verjonging) en het spreidingsbeeld van de voor eindkap voorgedragen percelen over het totale bosbezit. Na uitgebreide veldbezoeken en besprekingen in de ’Begeleidingscom- missie’zijn de kapplannen voor 1981 en 1982 op grand van bovenstaan- de overwegingen inderdaad op een aantal punten bijgesteld. Ik hoop nog indegelegenheid gesteld te worden hier in het ’Twickelbulletin” of elders wat diepe rop in te kunnen gaan. Op deze plaats wil ik nader ingaan op een tweetal excursies met de ’Be-