pagina 9 zomer 1999

Bezoekers van de oude houtzaagmolen wonen een demonstratie bij. Foto: Twentsche Courant/Tubantia Aankoop van hout uit eigen bossen van elders 1802 340.09.14 3037.14.12 1803 nihil 3723.11.06 1804 112.11.- 1508.03.02 1805 nihil 3032.-. 12 1806 nihil 740.19.02 1807 276.06.- 2491.14.04 1808 291.04.- 1180.10.08 Tube 15 den guldens voor zaagloon aan de molen betaalt. De molen verpacht In 1825 houdt de hele financiele administratie op. Dit is een gevolg van het feit dat molenbaas Jan ten Zeldam wordt opgevolgd door zijn zoon Carel Jacob, die de molen van Twickel gaat pachten voor een prijs van f 700,— per jaar. Hij is Twickel dus geen verantwoording meer schul- dig. De rentmeestersrekeningen vermelden na 1835 geen pellonen meer, zodat we kunnen aannemen dat de molen vanaf die tijd geen pelmolen meer was. Ook blijkt de molen in die tijd cement, vloeren, tegels en dakpannen te leveren. Het werd dus steeds meer een bedrijf dat de totale bouwac- tiviteiten verzorgde. Carel Jacob ten Zeldam wordt in 1863 opgevolgd door zijn zoon Gerrit – de derde telg uit dit geslacht – die in 1871 al zijn gereedschappen en materialen verkoopt aan de vol- gende pachter Johan Caspar Gurck, die al in 1829 als mole- naarsknecht bij hem in dienst kwam. In de loop der tijd zijn de prijzen, die de molenpachters aan Twickel moesten betalen, nogal eens gewijzigd. Dit blijkt uit tabel 6. Wat opvalt is, dat de pachtprijzen met uitzondering van 1882, toen de molen overging op aandrijving door middel van een stoommachine, steeds lager werden. In 1911 kwam de molen weer in eigen beheer. Twintigste eeuw Na 1900 zijn weer meer gegevens genoteerd. We krijgen dan een beeld van de verwerkte houtsoorten en andere bouwmaterialen, zowel voor eigen bedrijven als aan der- den. De eerste tien jaren van deze eeuw vinden we in een overzicht van opbrengsten (H.A.T. 5856), waarbij het boekjaar Hep van 1 april t/m 31 maart. Zie tabel 7.