pagina 8 herfst 2003

plattegronden, liefst uit de 1 le en 12e eeuw. Die bestaan slechts uit donkere bodemverkleuringen op de plekken, waar ooit de ingegraven palen van het gebintwerk van een huis hebben gestaan. Zulke ‘plattegronden’ zijn in Twente dun gezaaid, althans zelden gevonden. En naar wat er bovengronds heeft gestaan, kunnen we slechts gis- sen met een grote mate van onwaar- schijnlijkheid. Huisplattegrond van een boerderij in Colmschate in de 12e eeuw. Tekening: Rijksdiensl Oudheidkundig Bodemonderzoek Huizen uit een iets eerdere tijd, de Karolingische periode, alsmede de enkele 12e-eeuwse huizen, gevonden bij Colmschate bij Deventer en bij Deurningen in Twente, blijken min of meer rechthoekig te zijn en uit een ruimte te bestaan, terwijl er omheen kleinere gebouwen voor allerlei nevenfuncties staan. Het ontbreken van bodemsporen van 12e en 13e eeuwse en latere huizen kan er op wij- zen, dat algemeen de bouw van huizen met gebintwerk op poeren (veldkeien) ingang had gevonden en daarmee dan ook de ankerbalkenbouw, die bij inge ­ graven palen eigenlijk niet nodig is. Tussen die gebinten, de ‘halla’ woonde en werkte de boer en zijn familie. De verschillende bedrijfs- onderdelen als weven en veestalling, die in de voorafgaande eeuwen elk een eigen afzonderlijk onder- komen hadden, kwamen van lieverle- de onder een dak en vonden een plaats ter weerszijden van de ‘halla’, in de zijvleugels, in gewone taal: onder ‘t ofdak’, in boerderij-bouw- term de ‘afkubbing’. Datzelfde gold de graanoogst, die kwam ‘op ‘n balkn’. Een Twents aanzicht Uiterlijk zullen de boerderijen van- af de 12e eeuw niet veel wijzigingen hebben ondergaan. Alleen vertoonden ze de eerste eeuwen hetzelfde beeld als de Westtwentse boerderijen, name- lijk met voor en achter een dakschild, een wolfdak. De Duitse boerderij- kennerdr. J. Schepers is na veel onder- zoek tot de slotsom gekomen, dat de houten topgevels (zoals van de midden- en Westtwentse huizen) van- uit Hessen en Z.O. Westfalen pas in later eeuwen westwaarts zijn opge- drongen. Wellicht is dit begonnen in de 14e eeuw en heeft het van liever- lede ook Oost-Nederland bereikt. Verder dan Midden-Twente en in Gelderland de IJssel kwam het niet. In een brede strook tussen oost en west met als ader het Reggedal en verder zuidwaarts richting Aalten komen beide typen dooreen voor naast een mengvorm: huizen met houten voorgeveltop en een wolfdak boven de deeldeuren. Verder bleef in ooste- lijk Twente een herinnering aan het wolfdak bestaan: huizen waarbij de achterzijde een soort schoenvormige gevel bezit, een zogenaamde Fuss- walm, zo als ooit te zien was aan de Twickelse boerderij Groot Buren onder Woolde, die helaas in mei 1964 is afgebroken. Ontwikkeling Het Twickels boerderijbezit be- hoort, historisch gezien, dus geheel thuis in het houten-gevelgebied en eeuwenlang is dit zo gebleven. Hoe die huizen er dan uitzagen in de 16e – 18e eeuw kunnen we ons voorstellen aan de hand van tekeningen en schilderijen van een 18e-eeuwse kunstenaar als Meindert Hobbema, maar beter nog met behulp van heel oude foto’s van vakwerkhuizen die nog voorzien waren van leemwanden. Een goed voorbeeld is de boerderij Weustink in de Zuid-Esmarker Broek- heurne bij Enschede, die eerst in de jaren twintig is afgebroken. Oorspronkelijk waren de huizen ook niet zo groot als wij ze nu kennen.