pagina 7 zomer 2004

Het ree heeft een indringer bespeurd. de reewildjagers van de WBE. Het is dikwijls een hele klus het afschot volledig te realiseren, want reewild is schuw. Er zijn twee methoden om het reewild te schieten: vanaf de bekende hoogzit of door te ‘bersen’. Bersen houdt in dat de jager probeert zo dicht mogelijk bij het ree te komen. Bij beide methodes wordt een kogelgeweer gebruikt. Hagelgeweren mogen voor reewild niet gebruikt worden. Reewildjacht is een individuele aangelegenheid en werkt afgezien van de knal- nauwelijks verstorend. Vrouwelijk reewild wordt alleen in de winter geschoten; mannelijk wild juist in de zomer. Mocht u in de ochtend of avond- schemering een reewildjager tegen komen dan is hij (of zij) bezig met de bokkenjacht. Joop Schoonderbeek Voorzitter Reewildcommissie WBE Twickel Mest, een probleem van alle tijden Over de problemen waar de agrarische sector in onze tijd mee kampt kunnen we dagelijks in de kranten lezen. De quota voor melk. koeien, slachtvee en kip- pen, de toegestane hoeveelheid mest en de landbouw- subsidies zijn bekende onderwerpen. Vroeger was stalmest in wezen de enige bron voor bemesting van de grond, zowel voor de landbouw- gronden als de weilanden. Soms werden heideplaggen gestoken om de bovenlaag van de heide door de land- bouwgrond te mengen. De boer wiens land langs een beekje lag, kon daardoor soms profiteren van de sedi- mentatie langs de beekoevers als zo’n beek jaarlijks buiten haar oevers trad en daar dan beekbezinking achterliet. Voor de introductie van de kunstmest spaarde de boer de gehele winter de mest in potstallen of mest- vaalten, om die mest in het voorjaar uit te rijden. In die tijd was er eigenlijk bijna altijd gebrek aan goede bemesting. Heden ten dage echter vormen te grote hoeveelhe- den (drijf)mest voor veel boeren een last. Het kost handenvol geld om die mest op te slaan en om er een goede bestemming voor te vinden. De kosten om de mest af te voeren naar specifieke landbouwgebieden, vormen voor veel veehouders een extra belasting. Ligt het probleem momenteel bij de vraag hoe men de mest kwijtraakt; vroeger was het probleem juist omgekeerd. Hoe kwam men aan goede en voldoende stalmest? Die vraag wordt beantwoord door enkele noterin- gen in de rentmeestersrekeningen in het Huisarchief Twickel. Zo lezen we bijvoorbeeld in de joumalen van rentmeester Mulder: op 12 januari 1846 werd aan M. Waanders, schipper te Enter, een bedrag betaald van fl 30,95 voor vervoer per schuitvracht en levering van Mastenbroeker mest. Op diezelfde datum noteer- de de rentmeester dat hij ookfl 21,35 betaalde aan J. Evers, schipper te Enter, voor Mastenbroeker mest en scheepsvracht. Kennelijk was er in de veeteeltpol- der van Mastenbroek toen al een overschot aan stal ­ mest. Ongetwijfeld hebben genoemde schippers toen gebruik gemaakt van de Twickelervaart, welke eerder namens Twickel werd graven. De problemen van mestoverschot en vervoer zijn dus niet slechts van deze tijd, maar ze zijn nu wel van een andere orde. In wezen was ook de levering van de originele Chili-sal peter uit Zuid-Amerika een aanvoer van (vogel)mest naar onze landbouwgebieden. H. Reynders