pagina 7 zomer 2001

Ontgonnen in de crisisjaren door werkloze textielarbeiders Het landbouwbedrijf in de Goormeen I De grote landbouwschuur bij het erve Goormeen. Foto: J.H. Brinkers. Het moderne melkveebedrijf De Goormeen aan de Blokstegenweg in de buurschap Azelo vindt z’n oorsprong omstreeks 1920, toen vooral de textielindustrie in Twente een diepe crisis doormaakte. D e fabrikanten in Almelo hadden door de crisis zo zwaar te lijden dat veel bedrijven moesten worden gesloten. Dit betekende voor honderden arbeiders dat zij zonder werk kwamen. De fabrikanten vormden samen met het gemeentebestuur van Almelo een steuncomite met als doel de ontslagen arbeiders financiele hulp te bieden. Dit vond men echter niet genoeg. Ze moesten ook van de straat en uit de kroeg worden ge- houden. Werklozenproject In een brief van 11 december 1917 vraagt de voorzitter van het steun ­ comite, Mr. G. Kortenbout van der Sluijs, of baron Van Heeckeren hierbij behulpzaam kan zijn. Hij stelt voor dat de baron door de Nederlandse Heidemaatschappij een ontginnings- plan laat opstellen voor bijvoorbeeld een heidecomplex in de buurt van het Tusveld bij Bomerbroek. Deze plan- opstelling zou voor rekening van de baron zijn. Het ontginningswerk daarna zou echter voor rekening van het steuncomite door de werkloze textielarbeiders worden uitgevoerd. Deze zouden, afhankelijk van het terrein dat wordt gekozen, lopend via Bomerbroek of per trein naar Zenderen en dan verder te voet het te ontginnen complex kunnen bereiken, zo schrijft hij. De arbeiders zouden komen te werken onder toezicht van opzichters, die de baron op kosten van het steuncomite mocht aanwijzen (H.A.T. inv. nr. 5945). Kennelijk heeft baron Van Heeckeren positief op dit voorstel gereageerd. Op 5 maart 1918 wordt de regeling namelijk door het comite bevestigd en op 25 maart schrijft de heer E. ten Cate dat ook de textiel- fabrikanten accoord gaan. Uit de voorwaarden blijkt, dat de Heide ­ maatschappij het toezicht op de ontginning blijft houden en dat het loon voor de arbeiders, aanvankelijk 25 cent per uur, wordt verhoogd tot 28 cent. Er wordt in de stukken aanvankelijk gesproken over een heideterrein in de omgeving van het Tusveld, groot 96 ha. De voorzitter van het comite schrijft echter te hopen, dat de baron nog ongeveer 28 ha. wil laten ont ­ ginnen onder dezelfde voorwaarden. Hoewel niet als zodanig genoemd, betreft dit de ontginning van de Goormeen. Vanaf dat moment is het heideterrein bij het Tusveld geheel uit de correspondentie verdwenen. Voornamelijk weiland Op 5 juni 1918 staat in een brief die van de Ned. Heidemij wordt ont- vangen: “Het perceel Goormeent (sic) is 29 ha. groot en voor een groot deel geschikt voor de aanleg tot weiland, een gedeelte is geschikt voor bouw- land, terwijl een klein gedeelte aan de zuidzijde meer aangewezen is voor de aanleg tot bosch”. Verder wordt ver- meld, dat de hoogte waarop het water kan worden afgevoerd, bepalend is voor bovengenoemde indeling. De afwatering moet worden verdiept en het terrein bestemd voor weide moet 15 a 20 cm. worden omgeploegd. Het terrein dat voor bouwland wordt bestemd, moet 20 a 25 cm. worden omgeploegd. In het bosgedeelte moet de grond worden losgemaakt tot door de harde lagen. Na het ploegen wor ­ den de slootjes gegraven en met de vrijkomende grond wordt het terrein opgehoogd, zodanig dat het naar de sloten afhangt. De grenssloten moeten worden verbreed en verdiept. Ook zal met het Waterschap overleg moeten plaats vinden betreffende de indeling. Uit de bijgevoegde begroting blijkt,