pagina 7 winter 1996

Gouden penning afkomstig van de familie Clifford Twickel bezit unieke Leidse penning Een van de vele fraaie bezittingen op Twickel is zo waarde- vol en zo uniek dat zij tot een sluimerend bestaan in de kluis veroordeeld is. Daardoor is het bestaan ervan weinig bekend. Reden om er eens iets over te vertellen. Het betreft de gouden ere-penning, compleet met keten, die, onterecht, de penning van de Burggraaf van J.E. Gieskes Deze penning is geslagen ter gelegenheid van het dramatische ontzet van Leiden van 3 oktober 1574. De penning is dus 422 jaar oud. Zij ligt nog steeds in het fluweel van de oor- spronkelijke cassette. Er werden er destijds maar enkele van geslagen, het exacte aantal wordt nergens vermeld, om uitgereikt te worden aan de aanvoerders van de geuzenvloot die over het water van de ondergelopen omgeving van de stad kwamen aanzetten en de Spanjaarden verjoegen. De geuzen maakten een einde aan de meer dan een jaardurende belegering, en dat was hoog tijd, want er was een vreselijke hongersnood ontstaan, met grote kinder- sterfte en alle andere gevol- gen van dien. Zoals bekend wordt nog steeds, na al diejaren “het- ontzet” in Leiden feestelijk gevierd. De stad kreeg toen Foto: J. Mulder. voor haar onverschrokken weerstand de eerste universiteit van ons land. Ketting In het standaardwerk “De Nederlandsche Histori-pennin- gen” van G. van Loon uit 1723 wordt de penning uitvoerig beschreven, en afgebeeld met de kettinkjes waarmee hij aan de grote keten bevestigd is. In deze vorm was er toen maar een pen ­ ning bekend. Op de voorzijde is de stad Jeruzalem afgebeeld met de tekst Ut Sanherib a Ierusalem (zoals Sanherib uit Jeruzalem) aan de keerzijde de stad Leiden tegen de horizon, iets wat destijds op penningen heel nieuw was, met de tekst Sic Hispa(ni) a Leyd(a) noctu fugerunt (zo zijn de Spanjaarden bij nacht van Leiden gevlucht). In de begeleidende tekst schrijft Van Loon na een uit- gebreid verhaal over de toe- stand in de stad, dat hij de penning, ’’met zijn bywerk van goud” in de verzameling van ene heer Balthasar Schot in Amsterdam heeft aangetroffen, en verderop stelt hij: “doch met zulk ketenwerk is my maar eens zood- aanig een pen ­ ning voor- gekomen”. Door huwelijk Dat betekent dat in 1723, toen de penning al 150 jaar bestond, er nog maar een met ketting over was. Van de penning aanwezig op Twickel is men in de loop van de jaren gaan aannemen dat het geslacht Van Wassenaer, dat in die