pagina 7 lente 2002

Rekening van de anjerkas, 8 augustus 1912. HuisarchiefTwickel, inv.nr. 2510/31. werd opgeheven. De natuur kreeg er vrij spel. Toefjes muurleeuwenbek barstten uit de voegen van de anjerkas. In de kas woekerde het zevenblad en sla maakte plaats voor kweekgras, toorts en distel. In 1980 werd de huidige tuinbaas lid van een werkgroep ‘Kassen en Oranjerieen in Nederland’. Hij wist deze groep enthousiast te krijgen voor het opstellen van een plan voor het her- stel van de oude moestuin. In 1990 werd het plan aangeboden aan het bestuur van de Stichting Twickel en daar met lof en veel waardering ont- vangen. Dan, in 1992, wordt een begin gemaakt met het herstel van de oude tuinmuren. Er komt hulp van deel- nemers uit de ANWB-landgoed- kampen, een groep asielzoekers uit Azelo verricht vele klussen en ook de wieddames uit de kasteeltuin helpen mee met het wassen van ruiten en het veilig opbergen hiervan. Het Iron- house, een Victoriaanse kas, werd al in die eerste periode hersteld. Intussen realiseerden we ons dat een tuin van deze omvang niet door de vier vaste hoveniers alleen zou kunnen worden onderhouden. Er werden open dagen georganiseerd en mede daardoor ontstond de inmiddels elf leden tellende groep van vrijwilligers in de moestuin. De plannen wer ­ den verder uitgewerkt en er werd gezocht naar subsidiegevers. Een eerder aangevraagde subsidie voor de restauratie van het Ironhouse werd door ‘Brussel’ afgewe- zen. De Rijksdienst voor Monumentenzorg volgde echter met grote belangstelling de voortgang van het herstel van de moestuin en zorgde voor een flinke donatie voor de restauratie van de anjerkas. Hans Hondebrink Henk Saaltink istorie, ook op het landgoed Twickel geplozen. Vanwege hun kwetsbaar- heid worden snijanjers vaak in kas ­ sen gekweekt, zowel beroepsmatig als door particulieren. Dat laatste ook op Twickel. Snijanjers zijn dus belangrijk voor dit verhaal. Snijanjers worden al eeuwen gekweekt, in Engeland bijvoorbeeld al vanaf het midden van de lie eeuw. Rond het jaar 1880 kwam het kweken in kassen van anjers voor de handel in gebruik. Ook in particuliere tuinen verschenen speciale kassen voor anjercultuur. Kenmerkend voor deze kassen waren de uitgekiende beluchtings- systemen -er wordt steeds gewaar- schuwd voor tocht-. Dianthus Caryophyllus, de stamvader van de snijanjer, heeft als Mediterrane plant warmte nodig. Maar hoge temperaturen in de kas leveren snelgroeiende planten met slappe stelen op. Vandaar het oude gezegde: anjers moeten worden gekweekt met warme voeten en een koud hart. De wortels van de planten moeten dus in relatief warme grond staan, terwijl het hart van de plant koel en luchtig moet worden gehou- den. Daardoor ontstaan de bloem- knoppen laag in de plant, met als gevolg stevige stelen. De anjerkas van Twickel laat dat uitgekiende beluchtiginssysteem prachtig zien. De laag in de muren aangebrachte kleppen kunnen groepsgewijs worden geopend. Maar ook de opstaande zijramen en de ramen van het dak kunnen open worden gezet. Tegenwoordig worden voor deze kweekwijze modeme hulpmiddelen ingezet, zoals bodemverwarming, koel- systemen en ventilatoren.