pagina 7 lente 1994

De arbeiders van de kasteelboerderij tijdens het dorsen omstreeks 1920 schapen properder zijn dan elders. Men maakt er volgens hem ook kaas, wat hier in de omgeving niet gebruikelijk is. Ossen en muilezels Aanvankelijk bleefhet bedrijf nog erg klein. Omstreeks 1830 bestond het personeel uit slechts twee „werkboden”, namelijk Arend Kranenberg en Cornelia Schut. Er waren slechts twee werkpaarden. De boerderij had alleen een functie als landbouwbe- drijf. Het trekvee deed ook dienst in de bossen. Dominee Craandijk die omstreeks 1875 op zijn wandelingen Twente aandeed, zag in de veestal naast de kolossale Zwitserse stier enige buitengewoon grote muilezels en trage, sterke ossen „die met onveranderlijke tred de lange wagens met boomstammen bevracht, door het bos trok- ken”. Ook de hierboven al vermelde timmerplaats bleef in de van de 19e eeuw deel uitmaken van het boerderijcom- plex. In 1875 is de veestapel wel wat uitgebreider. Er zijn dan vijf werkpaarden aanwezig. Voor de aantallen van de ove- rige soorten zij verwezen naar het bij dit artikel afgedruk- te schema. Het grote bedrijf Vanaf het einde van de 19e eeuw gaat de boerderij een belangrijke plaats innemen. In 1881 werd de nog steeds aanwezige schaapskooi gebouwd. De kudde werd gehoed door de schaapherder J. Moll. Sedert 1892 werd van de exploitatie aantekening gehouden in een eigen boekhouding. De cijfers hierin tonen aan, dat het bedrij f in de twintiger en begin dertiger jaren een bloeitijd beleefde. H.W. Michel, de zoon van de bekende jachtopzichter, schrijft over die jaren. „’s Morgens als de bel op de aan- grenzende houtwerf geluid werd, was het boerderijplein de verzamelplaats van alien die in de land- en bosbouw werk- zaam waren. Er heerste steeds een grote drukte wanneer de bespanningen rammelend uitreden over de basaltkeien of na volbrachte arbeid weer terugkeerden. De paarden moesten dan gedrenkt en gevoerd worden en wij vonden het wat gezellig in de paardenschuur.” Mijnheer Hage Enige jaren geleden vertelde mevrouw Temming over de gloriejaren. „Op Twickel werden slechts twee mannen mijnheer genoemd. De ene was de rentmeester; de andere was de heer Hage. Mijnheer Hage, een zeeuw, was land- bouwdeskundige. Hij gaf adviezen aan de pachters van Twickel, onder meer ter verbetering van de aardappeloog- sten. Hij resideerde in een achterkamer van het inmiddels verdwenen betaalkantoor aan de Twickelerlaan. Onder zijn supervisie viel ook de kasteelboerderij waar De Boer, de boerbaas was. De koeien van de kasteelboerderij werden tot ver in de omtrek gebracht. Naar een weiland in Woolde, waar een