pagina 7 herfst 1996

voorouders leefden van de jacht. En overleefden ermee. Toen georganiseerde landbouw en veeteelt deze behoeften ovemamen, viel de jacht uiteen in een viertal deelgebieden. De jacht werd het domein van welgestelden en groot- grondbezitters. Later breidde deze groep zich uit met groe- pen burgers die een jachtrecht verwierven. Deze jagers doodden het wild zonder eigen overlevingsnoodzaak en puur voor plezier en status. Een tweede categorie jagers werd en wordt gevormd door boeren. Zij ondervinden enigerlei vorm van schade door wild en trachten dit te miniseren en te compenseren door afschot. De derde groep wordt gevormd door de wild- beheerders in en rond natuurgebieden. Zij trachten een zo gevarieerd mogelijk natuurbestand in de aan hun zorg toe- vertrouwde gebieden te realiseren. Door wildtellingen wordt geprobeerd een overzicht te krijgen en daarmee een regulatieplan op te stellen en te realiseren. Daarbij spelen ook aspecten van schadeclaims en bescherming van bij- zondere soorten een rol. De vierde categorie wordt gevormd door de stropers. Mensen die uit zucht naar avontuur of om wat bij te ver- dienen, zich ongecontroleerd vergrijpen aan de wildwe- reld. De publieke opinie heeft zich vooral in ons land rond de jaren ’70 massaal van de jacht afgekeerd. Gemakshalve is daarbij helaas geen differentiatie gemaakt in de hiervoor omschreven categorieen. Daarvoor zijn wel redenen aan te wijzen. Legio waren de excessen die breeduit in kranten en opiniebladen werden gepubliceerd. Ik noem het omstandig bijvoeren, dat leidt tot overpopulaties en daardoor tot bejaagbare overschotten. Verder de fazantenfokkerij met als enig doel het afschotplezier. En niet te vergeten de fana- tieke vervolging van roofvogels. Om nog maar niet te spre- ken van de ronduit walgelijke tonelen van massaal pret- schieten in het buitenland. Deze hebben zelfs een zodanige vlucht genomen dat zij een bedreiging gaan vormen voor de trekvogelstand. Dit alles neemt niet weg dat in het relatief spaarzame Nederlandse natuurbezit een zekere regulatie en daarmee beheersjacht node gemist kan worden, op straffe van ver- arming van het ecologisch bestel. Om hieraan vorm en richting te geven, zijn op initiatief van de overheid Wild Beheers Eenheden (WBE’s) gei die een duide- lijke beheerstaak hebben. Maar dit werk moet wel worden gedaan! Het is dan ook niet onlogisch dat er een samen- werking is gegroeid tussen deze WBE’s en de Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging. En daar wringt zich de schoen. Want de KNJV jagers zijn voor een belangrijk deel mensen die dat voor hun plezier doen. En wie ontzegt een beheersjager het recht zijn werk met plezier te mogen doen? Ziedaar het dilemma waardoor ook de beheersjacht niet geheel uit de maatschappelijke verdachtenhoek komt. Jachtplezier heeft twee gezichten. ledere natuurliefheb- ber begrijpt het plezier dat de jager ondergaat tijdens het speuren in zijn revier. Hij kent het als zijn broekzak, leeft er actief in en geniet ervan. Zoals anderen dat met verrekij- ker of fototoestel doen. Het andere gezicht is dat van het doden. Doden zonder maatschappelijke of persoonlijke noodzaak. Voor de kick dus. Hier ligt de basis van de maat ­ schappelijke onvrede over jacht. Velen menen – en ik deel hun mening – dat hier een ongewenst aspect van machts- uitoefening in het geding is. Een behoefte om te willen beschikken over leven of dood. Een gevoel dat overigens diep in onze genen is verankerd. En dat velen van ons, die wel eens een wapen in handen hebben gehad, zullen her- kennen. Een wapen, maar soms ook een snelle auto, appel- leren aan deze dicht aan de oppervlakte van onze ziel lig- gende gevoelens, die we meestal met succes kunnen beheersen. Maar die ook ongecontroleerd uit de hand kun ­ nen lopen. Resumerend kan ik dus stellen dat in het jachtprobleem elementen zitten van realiteit zowel als van emotie. Het is daarom naar mijn mening niet juist om zwart-wit voor of tegen jacht te zijn. Jacht kan een positieve bijdrage leveren aan een veelsoortige natuur met, indien gewenst, extra accenten. Maar ook zullen we de gevoelens over de kick van het doden met grote argwaan blijven volgen. Evenzeer wil ik stelling nemen tegen het idee dat alles wat jagers doen bij voorbaat moet worden veroordeeld. Tenslotte hebben de anti-jagers ook geen adequate oplossingen om de beheersproblemen op een andere wijze op te lossen die maatschappelijke kritiek kan doorstaan. Wij willen geen wolven, lynxen en beren in onze natuur. Terecht. Ik wil daarom de WBE organisaties het voordeel van de twijfel gunnen. Ik vinden dat een initiatief als de jaarlijkse natuurschoonmaakdag waardevol is. Ook al zal het deels zijn ingegeven om het beschadigde jagersblazoen wat op te poetsen. Het zij zo. De Vereniging Vrienden van Twickel hoopt veel leden op de derde zaterdag in maart in 1997 bij de schoonmaakactie aan te treffen! Wouter van den Bosch