pagina 7 3 1990 tijdschrift

Dien avond stak een blijde wind de witte velden over; hij zong langs’t dorre wintergras en door’t vergeten lover, hij stapte langs een hazelaar: die sloeg zijn takken op elkaar Wie lag er in de arme stal ? De Koning van’t Heelal. Dien avond viel er witte sneeuw in grote, zachte vlokken op alle huisjes van het dorp, op hekken en op hokken, op schuurtjes en een schapekooi: nooit was de wereld nog zo mooi. Wie lag er in de arme stal ? De Koning van’t Heelal. Dien avond hing de donkre lucht vol twinkelende sterren. De aarde was zo klein en sdl, de hemel was zo verre. Toen rees Gods ster, die blinkend groot haar stralen uit de hoge schoot. Wie lag er in de arme stal ? De Koning van’t Heelal.