pagina 6 zomer 2005

De boerderijen Dubbelink- Havczate en Dubbelink-Erve en hun voorgangers In dit eerste deel beschrijven de auteurs de geschiedenis van de erven Dubbelink-Havezate en Dubbelink-Erve en hun voorgangers. Het aangrenzende meestershuis is een voortzetting van de oorspronkelijke havezate. De geschiedenis hiervan wordt behandeld in het volgende nummer van het Twickelblad. I n het Schattingsregister van 1475 staat Dubbelink nog zonder meer als erve aangegeven. In 1480 wordt het, op verzoek van de eigenaar, Herman (de) Reyger, een leengoed van de Bisschop van Utrecht. Later wordt het een havezate genoemd en in 1751 koopt Unico Wilhelm van Wassenaer Obdam, heer van Twickel, het huis met bijbehorende rechten en opstallen. In zijn beschrijving van de havezate Dubbelink laat G.J. ter Kuile sr. de afloop buiten beschouwing Latere auteurs geven wel uitsluitsel 2 ): “Het waarschijnlijk bouwvallige huis werd afgebroken en in 1760 verrees er een boerderij Dubbelink-havezate genoemd… Niet ver van de huisplaats van de havezate verrees kort na 1760 nog een boerderij, die ter onder- scheiding van de andere in de Twickelse pachtregisters Dubbelink- erve wordt genoemd”. Bekijken we echter het kadastraal minuutplan, opgemeten in 1820, dan blijken deze erven daar niet op voor te komen. Op de oude huisplaats staat een groot rechthoekig gebouw met links daaronder een klein vierkant gebouw. Boven deze plaats, pal rechts van de weg ligt een erve Klein Dubbelink, een boerderij met onder- schoer en een boven- of endskamer. Aan de overkant van de weg staat het nog bestaande bakhuis 3 ). Even verder zien we nog een wat groter gebouw, een schuur. Maar de percelen waar nu de erven Dubbelinks-havezate en Dubbelink-erve staan, zijn in 1820 nog onbebouwd – kad. Gem. Ambt Delden sectie B nr. 355 (bos) en nr. 294 (weiland). Bebouwingsgeschiedenis Er is echter al sprake van graan- verkopingen uit D.-Havezate in de De havezate Dubbelink naar de kadastrale minuutplan. Ambt Delden. sectie B. I 820. Met toestemming overgenomen uit A. J. Gevers en A.J. Mensema, De havezaten in Twente en hun bewoners. jaren 1775-1785 en van verpachtingen van dit erve in 1807 en 1810 evenals van die van D.-Erve in diezelfde jaren 4 ). Maar de sluitstenen boven de niendeuren in beide boerderijen geven het jaar 1838 resp. 1841 aan. Gezien de kadastrale bescheiden zijn dat ook inderdaad de bouwjaren van de twee nu bestaande boerderijen. Verder is er in het huisarchief een uit- voerig bestek van omstreeks 1760. Het bestaat duidelijk uit twee iagen’: het originele bestek, in een hier en daar nogal kromme taal geschreven, en de daarin door veel doorhalingen en tus- senvoegingen ‘verbeterde’ tekst 5 ). De originele versie begint: “het huys van dubbelink in Azelo in zijn geheel afge ­ broken en weer nieuws verstellen en in zijn geheel oftimmeren zoals het op de tek. staat aangewezen” . En was die tekening er nu maar bij! De verbeterde versie luidt: “Bestek en omschrijving voor een nieuw te zetten huys, het oude huis zal geheel afgebroken nieuws gezet en getimmerd wor- den…”. In beide komt enkele regels erna de zinsnede voor: “. ..aan de een kant waar geen ofdak is…”. Daaruit zou kunnen worden opgemaakt dat het af te breken huis langs een lange zijde geen zijbeuk of ‘afkubbing’ had. Voor een gewone Twentse boerderij is dit zeer ongebruikelijk zodat het mis- schien toch het, of een, gebouw was dat bij de oorspronkelijke kasteelaan- leg behoorde, wellicht een bouwhuis. Pogingen een beeld te krijgen van het verloop van de bebouwings ­ geschiedenis stuiten op enkele on- duidelijkheden. In de tijd van de ver- werving door Twickel is sprake van “Egbert Tankinck op ‘t huis Dublink”; de ‘bakschuur’ wordt bewoond door Kadastrale hulpkaart waarop de nieuw ge- bouwde boerderij Dubbelink-Havezate, 1840. een ‘wonner’ en verder woont Bert. Dublink op ’t Erve Dublink 6 ). Egbert Tanckink komen we ook tegen van 1751 tot 1761 als pachter van “Huis en Havezaets Landerijen” 7 ) en in 1753 als pachter van landerijen “onder de Vrijinge van de Havezate Dubbling gelegen” 8 ). Opvallend is daarbij de bepaling, die luidt: “De Heer Verhuurder sal ten alien tyden na goed- dunken den Meyer met syn geheele Huishoudinge mogen verplaatsen in