pagina 6 zomer 2004

Resultaten van de tellingen leiden tot beter beheer Een uitschieter in de reewildstand Op het landgoed Twickel en de omliggende gronden worden jaarlijks reewildtellingen gehouden. De juiste tijd om het reewild te tellen ligt tussen midden maart en midden april. Er is dan in het bos nog weinig voedsel te vinden en de reeen treden in de vroege ochtend en avond uit naar aangrenzende weilanden of akkers waarop bijvoorbeeld rogge te vinden is. I n deze tijd loopt het reewild ook nog in winterspron- gen bij elkaar. Na deze tijd gaan de wintersprongen uit elkaar. De reebokken zoeken hun territorium weer op en de drachtige reegeiten trekken naar de plaats, waar zij het vorige jaar hun kalveren hebben gekregen. De ree ­ wildtellingen worden uitgevoerd door leden van de WildBeheerEenheid Twickel (WBE) met hulp van men- sen die graag naar reewild kijken en er ook een beetje ver- stand van hebben. Het gebied van de WBE Twickel is onderverdeeld in vijftien telgebieden. De tellingen vinden plaats door even zo vele telploegjes op een avond en de daarop volgende morgen en avond. De aangetroffen reeen worden op kaart vastgelegd, waarbij dubbeltellingen door verschillende groepjes, zoveel mogelijk worden gecorrigeerd. Langs de bosrand grazende reeen. Telling 2004 In 2004 zijn er 428 reeen op Twickel geteld: 110 ree ­ bokken, 132 reegeiten, 79 bokkalveren, 78 geitkalveren en 29 niet aangesproken. ‘Niet aangesproken’ wil zeggen dat er wel een ree is gezien, maar dat men niet kon vast- stellen wat het was: een reebok, reegeit dan wel een bokkalf of een geitkalf. De WBE Twickel telt in haar werkgebied al vijftien jaar reewild. In 2001 is er geen reewild geteld in verband met de landelijke MKZ-crisis. Het gemiddelde over deze jaren komt uit op 323 reeen per telling. Er is een licht stijgende tendens. Het resultaat van de laatste telling is dan wel een uitschieter! Een aantal factoren speelt bij de reewildtelling een rol. Ik zal hier niet te diep op ingaan maar de weers- omstandigheden en landbouwwerkzaamheden spelen daareen rol bij. De jaarlijkse aanwas bij reewild is vrij hoog. De vol- wassen reegeiten krijgen tot op hoge leeftijd ieder jaar twee kalveren. De reegeiten die voor de eerste keer drach- tig zijn, krijgen meestal maar een kalf. De jaarlijkse aan ­ was in ons gebied ramen wij op circa driehonderd stuks. Voedselgebrek Voor een stabiele reewildstand is het nodig dat er jaar ­ lijks even veel bijkomen als afgaan. Deze laatste categorie bestaat uit de dieren die een natuurlijke dood sterven, de dieren die verongelukken (valwild), en de dieren die door reewildjagers worden geschoten (afschot). We gaan er dan even van uit dat er geen dieren verdwijnen door stropers! Als er geen afschot van reewild zou zijn, is dat voor een reewildstand catastrofaal. De stand groeit en groeit. Uiteindelijk is er vooral in de winter voedselgebrek en de draagkracht van het gebied wordt overschreden. Dit is terug te vinden in een slechtere conditie van de dieren die hen vatbar maakt voor ziektes. Is dit punt bereikt, dan klapt zo’n hele reewildstand in elkaar en alleen de sterke dieren blijven over. De rest sterft een langzame dood. Reewildbeheer kan in ons land, waar natuurlijke vijan- den ontbreken, niet worden toegepast zonder afschot. De stand moetbinnen de perken gehouden worden. In het werkgebied van de WBE Twickel lopen nogal wat doorgaande wegen. Daarnaast eisen het Twentekanaal met haar zijtak en de spoorlijn een jaarlijkse tol van de ree ­ wildstand in de WBE Twickel. Het jaarlijkse aantal stuks valwild ligt, voor zover bekend, tussen de veertig en vijf- tig reeen. Daarnaast is er jaarlijks een onbekend aantal slachtoffers door maaiverliezen en dergelijke. Afschotplan Aan de hand van verschillende kenmerken van het gebied, zoals voedselaanbod, weet de WBE hoeveel reeen er kunnen leven in haar werkgebied. Samen met de uitslag van de telling stellen wij een afschotplan op, waarin wordt vastgesteld hoeveel reeen per jaar in de WBE Twickel uit de stand moeten worden weggenomen. Dit plan wordt ter goedkeuring aan het provinciaal bestuur voorgelegd. De laatste jaren krijgt de WBE vergunning voor afschot van 80 mannelijke en 81 vrouwelijke dieren. Het bestuur van de WBE verdeelt dit afschot op grond van de telling onder