pagina 6 herfst 1991 tijdschrift

lijk weinig geld aan gezondheidszorg besteed hoeven te worden. En dat geld zou dan naar de Derde We- reld kunnen”. Vacature bosbaas op Twickel Toen er in 1953 een nieuwe bosbaas op Twickel be- noemd moest worden, klopte de barones bij haar neef Robert aan. Van Heeckeren schoof een van zijn beste mensen naar voren. Zo werd Te Veldhuis ter kennismaking op het kantoor van rentmeester Bitter ontvangen. Te Veldhuis herinnert zich nog goed dat de barones bij die gelegenheid vroeg of hij wel goed heggen kon knippen, alsof dat zo belangrijk is bij een bosbaas! Tegen de tijd dat Te Veldhuis in dienst zou treden op Twickel was rentmeester Bitter al overleden, dus hij kwam tegelijk met de nieuwe rentmeester Brunt. Te Veldhuis laat weten nog altijd blij te zijn met alle werkervaring die hij in de ploeg van Jonker Bobby heeft opgedaan. Later als leidinggevende op Twickel kon hij daardoor beter aan zijn medewerkers uitleg- gen hoe hij het hebben wilde en het zonodig zelf ook voordoen. Herinneringen aan Twickel Al wandelend door de kasteeltuin praat de Twickel- bladredactie tenslotte nog even na met Jonker Bobby over Twickel en zijn bewoners. Van Heeckeren behoort langzamerhand tot die steeds kleiner wordende groep mensen die de laatste heer van Twickel, baron R.F. Van Heeckeren van Wassenaer (1858-1936), nog in levende lijve heeft meegemaakt. Zo bewaart hij nog dierbare jeugdher- inneringen aan de jachtpartijen van zijn oom op Twickel: ”Oom Dolly was trouwens zelf niet zo’n verwoed ja- ger. Hij had een wat ’moeilijke’ hand. Vanwege een lichte handicap kon hij het geweer minder goed han- teren. Wel vond hij het prachtig om een jacht te ge- ven en om mensen te ontvangen”. ”Zo’n jachtpartij kon wel een hele week in beslag ne- men. Soms sprak men af dat er bij toerbeurt een dag of twee op Twickel en dan weer een paar dagen op Weldam werd gejaagd. Dit gaf wel eens problemen, bijvoorbeeld als Oom Dolly om tien uur wilde begin- nen en oom Freddy (Frederik Graaf van Aldenburg Bentinck, heer van Weldam) om negen uur. De hele familie ging mee naar zo’n jacht. Behalve op Twickel en Weldam, werd er door mijn familie vroeger ook op Amerongen en Middachten gejaagd”. Eetzaal ”Mijn eerste jachtpartij op Twickel was vlak na mijn middelbare schooltijd, eind twintiger jaren. Ik was nog student en werd toen door mijn oom voor het eerst uitgenodigd om samen met mijn vader te ko- men jagen”, zo weet hij nog. ”Wij vonden het, eerlijk gezegd, altijd een beetje vreemd dat er beneden gedineerd werd en niet in een eetzaal. De eetzaal was, zo werd ons altijd verteld, in aanbouw. Er waren twee ruimtes in het souterrain die voor het diner benut werden. Eigenlijk waren die twee hokjes veel te klein voor een groot jachtgezel- schap. Toen dan eindelijk de grote eetzaal klaar was, wilde mijn oom Dolly hem absoluut niet gebruiken. ’Nee, ik begin er niet aan’, zei hij dan. Zodoende hebben we altijd beneden gegeten. Vreemd genoeg werd uiteindelijk de eetzaal pas bij zijn begrafenis in 1936 de eerste keer gebruikt”, zegt Van Heeckeren. Perfectionist Van Heeckeren herinnert zich oom Dolly vooral als perfectionist: ”Zo wilde hij bijvoorbeeld al zijn klokken tegelijk laten slaan. Feitelijk is streven naar perfectie een goe- de eigenschap, maar mijn ooms probleem was dat hij alles altijd beter wilde doen dan kon. Twickel drukte als een zware last op zijn schouders. Men moet goed begrijpen dat in zijn tijd hij alles alleen moest beslis- sen, van hem alleen moesten alle iniatieven uitgaan. Dan was het soms te veel voor hem; Twickel werd hem van tijd tot tijd gewoonweg te machtig. Heel zijn leven is hij in feite in conflict geweest met Twic ­ kel. Hij wilde alles perfect hebben, maar dat kon hij toen, evenmin als de Stichting nu, gewoonweg niet realiseren. Hij kon zich echter met het middelmatige niet verenigen en telkens wanneer hij het weer eens te perfect wou doen forceerde hij zich. Dan ging hij maar weer op reis”. Besluileloos Wat die reizen betreft weet Van Heeckeren zich nog de volgende prachtige anekdote te herinneren: ”Als de baron weer eens op het punt stond op reis te gaan naar Londen, dan had hij de merkwaardige gewoon- te om zijn vertrek eindeloos uit te stellen. Hij keek dan beurtelings naar het weer en op zijn horloge, ijs- beerde rusteloos over de brug, ogenschijnlijk worste- lend met een beslissing. Plotseling sprak hij dan tegen de wachtende chauf ­ feur P. van de Berg de verlossende woorden: ’Toe maar, laad de koffers maar in. We vertrekken’. De trein kon dan vaak nog maar ternauwernood gehaald worden”. Tante Mieschen Ook aan zijn tante, M.A.M.A. Gravin van Aldenburg-Bentinck (1879-1975), bewaart Van Heeckeren dierbare herinneringen. Zij stond, na de dood van haar echtgenoot, alleen voor de moeilijke opgave de toekomst van Twickel als geheel veilig te stellen. Van Heeckeren weet te vertellen dat vroeger wanneer de baron, voordat hij op reis ging, zijn rent ­ meester de laatste instructies op de rentmeesterij gaf. Zijn tante was dan ook vaak aanwezig en zat dan zwijgend op een stoel en hoorde alles aan. Na de dood van haar echtgenoot bleek zij evenwel goed op de hoogte te zijn. Van Heeckeren bezocht zijn tante na de dood van zijn oom nog regelmatig. Tijdens de oorlog kwam hij op de fiets vanuit Ruurlo waar hij ondergedoken zat. Ook heeft hij nog ter gelegenheid van haar zeven- tigste verjaardag een speech gehouden en bij haar tachtigste verjaardag haar een feestdocument aan- geboden.