pagina 4 winter 2006

Ceschiedenis van de Oelerbeek Ter weerszijden van de Bornsestraat spiegelen boge beuken zich in bet water van de Oelerbeek. Over de geschiedenis van de Twickelervaart is bijna alles bekend, maar 1vat weten we van de beek daarnaast? Deze waterloop die van Boekelo naar de Regge stroomt, wordt tot de watermolen in Oele aangeduid als de Boekelerbeek. Tot de Noordmolen vervolgt zij haar weg als Oelerbeek; tenslotte stroomt zij onder de naam Azelerbeek in de Regge. Haar ontstaan is terug te voeren tot de laatste ijstijd. In het grote bos voor kasteel Twickel ligt een nat gebied dat al eeuwen bekend staat als de Breeriet. Aan de westkant daarvan loopt de Oelerbeek. Van oorsprong lag de beek dichter bij het kasteel en volgde daar de loop van de Twickelervaart. Onze verre voorou- ders hebben de beekloop hier verlegd naar een hogerterreingedeelte (de Langenhorst) om het beekwater makkelijker te kunnen opstuwen. Daardoor ontstond voldoende verval om de Noordmolen te laten draaien. De natuurlijke afwatering van het oostelijk hiervan gelegen gebied stagneerde echter door de aldus opgeleide beek. Zo ontstond een moeras: de Breeriet genaamd. Scheepvaart Om de modderige wegen te omzeilen ging het vervoer van goederen vroeger vaak over water. Op de Berkel, de Schipbeek, de Reg ­ ge en de Vecht bestond een druk scheep- vaartverkeer. Uit archiefstukken over het jaar 1674 blijkt dat er toen ruim 60 schip- pers over de Regge voeren 1 Vanuit de Regge was er via de Almelose Aa en de Loo Lee een verbinding met de Azelerbeek. Het is zeer waarschijnlijk dat deze beek in de i7e eeuw 00k al werd bevaren. Omstreeks 1650 belooft de bewoner van Twickel, Adolf Hendrik van Raesfelt, aan het stadsbestuur van Delden dat hij bij de Noordmolen een nieuwe omvloed zal laten graven die ge- schikt is voor de passage van houtvlotten en schuiten 2 Het ligt voor de hand dat deze omvloed ten westen van de Noord ­ molen is aangelegd en later is opgenomen in de loop van de Twickelervaart. Of deze omvloed 00k inderdaad werd gebruikt, wordt niet duidelijk. Een eeuw later bestaan grootse plannen om de beek weer of beter bevaarbaar te maken. De toenmalige rentmeester weidt hierover uit in een brief van 13 augustus 1765 aan Unico Wilhelm van Wassenaer Obdam 3 Hij schrijft dat hij een brug zodanig heeft laten vernieuwen dat de zwaarst beladen vrachtschuiten en houtvlotten hier onder door kunnen varen. Als waarnemend mar- kenrichter van de marken Azelo en Delde- neresch heeft hij de ingezetenen opdracht gegeven de beek te laten schoonmaken. Dit is gebeurd, maar het resultaat is nog niet naar zijn zin. De bomen tussen het erve Craas en de Noordmolen dienen geruimd of gesnoeid te worden, de aangeslibde grond moet verdwijnen, de beekbodem verdiept, een tweede brug veranderd in een ophaalbrug en de pijlers van de vonders verlengd. Uit een rekeningpost uit hetzelfde jaar blijkt dat de werkzaamheden met spoed zijn uitgevoerd. jan Barends, ‘schuitevoer- der tot Enter’, ontvangt op 26 oktober een premie omdat hij als eerste met ‘met voile zeilen van Zwol komende in de molekolk voor de nieuwgemaakte schoeijinge en craan is aangekomen’ 4 De verbeteringen hebben geen langdurig resultaat opgeverd. Zes jaar later gaf Unico’s zoon, Carel Ge ­ orge van Wassenaer Obdam, opdracht voor het graven van de Twickeler Schipvaart. Deze liep vanaf het haventje bij de herberg Carelshaven voor een deel door een oude bedding van de Oelerbeek tot aan de Noordmolen. Vandaar buigt de Twickeler ­ vaart naar het westen om ca. 10 km ver- derop uit te monden in de Regge. Hiermee