pagina 4 winter 2001

Het Breklenkampse Veld. Foto: G. Aalderink. Ontginning In de zestiger jaren is men na de ruilverkaveling ‘Beneden Dinkel’ begonnen met de ontginning van dit gebied. De ‘woeste grand’ werd in cultuur gebracht en geschikt gemaakt als landbouwgebied, voomamelijk om de voedselproduktie op peil te brengen. Hier en daar heeft men wat plekjes uitgespaard, die volgens de toenmalige bestuurders nog als echte natuur konden worden aan- gemerkt. Maar gebieden als de Frensdorfer Vennen en de Lattropper Vennen zijn in die tijd vrijwel helemaal ontgonnen en het oorspronkelijke karakter van het land- schap is verloren gegaan. In de Bergvennen werd een flinke strook van een van de venoevers afgeplagd. Foto: Landschap Overijssel. Een gevolg van deze ontginning was, dat de hierboven genoemde gebieden de Bergvennen, de Vetpot en het Breklenkampse Veld langzaam maar zeker gingen verdrogen en de soortenrijkdom aan planten verminderde. Omstreeks 1985 werden deze symptomen duidelijk waameembaar, hetgeen zich bijvoorbeeld uitte door een sterke vergrassing van de heide. Tevens trad in deze gebieden een sterke verzuring op, waarvoor de provincie in de negentiger jaren de eerste subsidies verstrekte om deze tegen te gaan. Terug naar oude staat De bedoeling is thans om deze drie gebiedjes weer in de oude staat terug te brengen, dat wil zeggen in de situa- tie van voor 1960 voor zover dat nog mogelijk is. De eerste resultaten zijn daarbij al geboekt. Planten- soorten als kleine zonnendauw, bruine snavelbies, moeraswolfsklauw, oeverkruid, moerashertshooi, veel- stengelige waterbies en klokjesgentiaan zijn thans weer in De Vetpot te vinden, evenal het ‘boegbeeld’ van de voedselarme vennen: de waterlobelia. Vooral deze laatste is een grate bijzonderheid, omdat deze plant in Nederland momenteel zeer zeldzaam is. In feite is het onvoorstelbaar, dat zaden die inmiddels zo’n drie decennia in de grand hebben gezeten, nog zoveel kiemkracht bezitten. Een en ander is bereikt dankzij samenwerking tussen de Stichting Twickel en Landschap Overijssel. Hierbij werkt men in de eerste plaats aan herstel van de waterhuis- houding. Dit gebeurt onder meer door bepaalde sloten te dempen of buisdrainage te verwijderen, waarbij als voorwaarde wordt gesteld, dat omliggende percelen daar geen hinder van mogen ondervinden.