pagina 4 lente 1996

Koeieti in een weiland bij het erve Wanink op de Deldeneresch. Foto: O.L.M., Zwolle. De varkens- en pluimveehouderij onderging een nog sterkere schaalvergroting, mede mogelijk gemaakt door massale aanvoer van voer van overzee. De grondstoffen komen uit alle windstreken aan in Rotterdam en worden vandaar per binnenschip vervoerd naar de mengvoerfa- brieken zoals de CTA in Delden. Door het vervallen van het grondgebonden karakter was er – anders dan bij de melkveehouderij – geen rem op de groei van het aantal var ­ kens of kippen. Hetresultaat is bekend: mestoverschotten, concentraties van intensieve veehouderij met hoge ammo- niak uitstoot. Om de mest verantwoord af te zetten zijn massale transporten nodig van „overschot”- naar „tekort- gebieden”. Landgoederen Veel landgoederen liggen in het zandgebied: Salland, Twente, Achterhoek, Utrechtse heuvelrug. langs de flan- ken van de Veluwe enz. Juist hier waren vanouds veel klei- ne (pacht)-bedrijven te vinden, die extra gevoelig waren voor de genoemde schaalvergroting. Door gebrek aan vol- doende oppervlakte was de keuze van vele boeren voor de intensieve veehouderij begrijpelijk. Toch waren er in de 60-er jaren al landgoedeigenaren die de ontwikkeling van intensieve veehouderij afremden. Dit vooral vanwege de grote schuren die detoneren in het kleinschalige land- schap. Pas in de tachtiger jaren werd men zich de milieupro- blemen bewust. Helaas was de enorme groei van de inten ­ sieve, niet-grondgebonden veehouderij toen al een feit. Op de meeste landgoederen is de ontwikkeling van de inten ­ sieve veehouderij achtergebleven en zijn de mestover ­ schotten aanzienlijk kleiner dan in de omgeving. Toch zijn ook hier vragen rond de intensieve veehouderij aktueel. Uitgangspunten Voor het landgoed Twickel zijn hierbij de volgende uit ­ gangspunten van belang: 1 .Het voortbestaan van economisch gezonde pachtbe- drijven is voor het landgoed van groot belang. Hieraan lig ­ gen drie overwegingen ten grondslag: -de pachtbedrijven beheren het totale areaal land- bouwgrond, dat wil zeggen 2.000 ha van het 4.000 ha grote landgoed – de pachtbedrijven vormen de economische basis van het platteland -de pachtbedrijven dragen via de pachtbetalingen belangrijk bij aan de instandhouding van het land ­ goed. 2.De agrarische bedrijfsvoering moet zo min mogelijk afbreuk doen aan natuur en landschap. De niet-grondgebonden veehouderij gebruikt land- bouwgrond slechts om een deel van de mest kwijt te raken: de aldus bemeste gewassen worden buiten het eigen bedrijf verkocht. Men zou kunnen zeggen dat de niet- grondgebonden veehouderij het landgoed slechts gebruikt als een toevallige vestigingsplaats. Gezien de kwetsbaar- heid van het milieu en het landschap op landgoederen is dit minder gelukkig. De keuze voor grondgebonden veehouderij op landgoe ­ deren ligt daarom voor de hand. In de praktijk gaat het dan vooral om de melkveehouderij. Varkens- of pluimveehou ­ derij zijn ook acceptabel mits grondgebonden. Essentieel is herstel van het evenwicht tussen de omvang van de veestapel en het beschikbare areaal land- bouwgrond. In deze tijd van dalende prijzen en schaalver ­ groting zal het herstel van dit evenwicht op vele landgoe ­ deren leiden tot een versnelde afname van het aantal bedrijven. Wil men aan meer bedrijven een bestaan bieden dan zal de toegevoegde waarde van de produkten verhoogd moe- ten worden bijvoorbeeld door het produceren van land ­ goed eigen” produkten. Ook kan beloning van natuur- en landschapsbeheer door pachters voor een aanvullend inkomen zorgen.