pagina 4 herfst 1995

Jachtopziener Spijkerman blikt terug in de tijd Jeugdherinneringen aan Twickel en aan barones Van Heeckeren van Wassenaer Aan de rand van Twickel ben ik opgegroeid. Mijn ouderlijk huis stond aan de Parallelweg, nu de Willem Alexanderweg. Via het bekende Deldense Kikkerpad dwaalde men af naar het Schneidersbos dat overging in het Odinksveld. Talloze uren heb ik hier rond gedwaald. Hans Spijkerman Toen ik naar de eerste klas van de lagere school ging, was het een warme zomer. We maakten met juffrouw Meinders een wandeling over de Deldeneresch. Via de oude Molenweg, waar nog de restanten stonden van de laatste molen, liepen we naar de toen nog bestaande Eschschool. Van daar volgden we smalle weggetjes, die je deden verdwalen tussen akkers met goudgeel graan. Ik weet nog als de dag van gisteren, dat wij tijdens de wande ­ ling het Twentse volkslied zongen. Een paradijs was het toen. De huismeester Goeman op de oude trap naar het onderhuis. Foto: W. Steffen, 1959. Onderaan de Esch zagen we door de kolossale oude eiken de gevels van de oude boerderijen. Door dit beeld kreeg ik zo jong als ik was een binding met Twickel. Vragende naar het waarom van de zwart-wit geschilderde luiken en het imposante jachthuis ’t Wanink begon mijn jongensdroom „Ooit te mogen werken op dit landgoed!” Gewei Langzaam werd Twickel geen onbekend gebied meer. In de Twickelerlaan gluurde ik door het oude smeedijzeren hekwerk naar de damherten. In het voorjaar van 1958 trok ik de stoute schoenen aan, om in het kasteel om een paar afworpstangen van een damhert te vragen. Over de ophaalbrug gekomen, moest ik snel doorlopen, want je was een gladde vogel als je Piet van den Berg kon passeren. Piet van den Berg was chauffeur. Je kon van hem zeggen, dat hij hoorde bij de inventaris van Twickel. Vanuit zijn garage achter de ophaalbrug was hij een onzichtbare schildwacht. A1 was hij volop bezig met het repareren van auto’s of klokken, niks ging hem mis. Maar ik had geluk, en kwam bij de deur. Na een druk op de bel verscheen de huismeester Goeman, een statige man met een strak gezicht en grote zwarte wenkbrauwen. „Wat is er van je dienst?”, vroeg hij met een krachtige stem. Ik antwoordde, dat ik graag de afworpstangen van een dam ­ hert van de barones zou willen kopen. Na een moment te hebben geaarzeld beloofde Goeman het de barones te vra ­ gen. Ze was net boven. Toen hij weg liep, begonnen verschillende klokken te slaan en te spelen. Kort daarop keerde Goeman terug met een kleine glimlach op zijn gezicht. De barones had gezegd, dat zij de boederijbaas Reint Jan Hietbrink, die ook de damherten verzorgde, zou vragen enkele afworp ­ stangen te reserveren. De stangen hangen nu in de jachthut tegenover mijn huis. Leerling tuinman In 1959 solliciteerde ik als leerling tuinman bij de tuin- baas, de heer Van Dijk. Ik werd aangenomen, maar mocht pas beginnen als het feest van de tachtigste verjaardag van de barones voorbij was. Ik begon in de moestuin. Na een paar jaar werd ik overgeplaatst naar de oranjerie en de rots- tuin. Dit was het terrein van de barones en Jan Assink. De eerste dag in de rotstuin is mij altijd bijgebleven. Toen ik die maandagmorgen begon, werd ik amper inge- licht over het doen en laten van de barones. Het enige wat ik wist, was dat de barones op haar tachtigste verjaardag van het personeel en de pachters een theehuisje en een kruiwagen had gekregen. De kruiwagen was eigenlijk tegen haar principes, want zei ze: „De oude kruiwagen met dat houten wiel is zeker zo goed als de nieuwe met dat rub- beren wiel.”