pagina 31 herfst 1992

president van de Ridderschap, op den duur ging Unico Wilhelm tot de vooraanstaande edelen in het gewest Holland behoren. Dit bleek in mei 1744 toen door de Staten Gene- raal werd belast met een even vererende als belangrijke diplomatieke missie naar de Franse koning Lodewijk XV. Wat was het geval? Vier jaar tevoren waren de Europese mogendheden opnieuw met el- kaar in conflict geraakt. In Oostenrijk was in 1740 Maria Theresia haar keizerlijke va- der opgevolgd, een opvolging waarvan de le- gitimiteit door een aantal landen, waaron- der Frankrijk, werd bestreden. De neutrali- teitspolitiek die de Verenigde Nederlanden na de vrede van Utrecht in 1713 noodge- dwongen hadden gevoerd, kon tijdens deze zogeheten Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) veel moeilijker worden gehand- haafd. Het nakomen van de bestaande bondgenootschappelijke verplichtingen aan Engeland en Oostenrijk maakte een opmars van de Franse legers naar het noorden, naar de vestingssteden in de Zuidelijke Nederlan ­ den en vervolgens naar het grondgebied van de Republiek zelf, onontkoombaar. Daar- mee kwam ook de binnenlandse machtsposi- tie van de leidende regenten op het spel te staan. De oorlogsdreiging zou namelijk de roep om een ’sterke man’ doen toenemen, wat een herstel van het stadhouderschap dichterbij bracht. Ten einde deze gevaren te bezweren werd Unico Wilhelm – zelf een overtuigde tegen- stander van het stadhouderschap – in 1744 als buitengewoon ambassadeur naar Frank ­ rijk gezonden. Zijn pogingen algemene vre- desonderhandelingen op gang te brengen hadden evenwel geen resultaat. Unico Wil ­ helm was te onervaren in het diplomatieke spel, liet zich te zeer imponeren en manipu- leren door zijn gesprekspartners. Onverrich- ter zake keerde hij naar Den Haag terug. Na een succesvollere, kleinere missie te hebben vervuld in Keulen, zonden de Staten Gene- raal hem in 1746, samen met hun tweede griffier, opnieuw naar Frankrijk. Maar ook deze onderhandelingen bleven zonder resul ­ taat: noch Frankrijk noch Engeland wen- sten op dat moment de oorlog te beeindigen. De gezanten van de Republiek werden aan het lijntje gehouden. Een jaar later, in april 1747, vielen de troepen van Lodewijk XV Zeeuws-Vlaanderen binnen en gebeurde wat de regenten zozeer hadden gevreesd. Op ver- schillende plaatsen trok het opgewonden volk de straten op, en de roep om Oranje kon niet langer worden weerstaan. Binnen enkele maanden was prins Willem IV stad- houder met vergaande regeringsbevoegdhe- den in alle gewesten van de Republiek. Oppositie tegen het stadhouderschap Voor Unico Wilhelm was intussen een lang- gekoesterde wens in vervulling gegaan: in fe- bruari 1746 had hij eindelijk als volwaardig lid zitting gekregen in de Ridderschap van Holland. Dit was mogelijk geworden door- dat Johan Hendrik van Wassenaer het jaar tevoren ongehuwd was overleden. Diens Hollandse bezittingen gingen toen over op zijn broer. Als lid van de Ridderschap had Unico Wil ­ helm automatisch zitting in de Staten van Holland, waar behalve de edelen ook acht- tien steden en stadjes, varierend van Am ­ sterdam, Haarlem en Leiden tot Schoonho- ven en Medemblik, hun stem mochten laten horen. Evenals de andere anti-Oranjegezinde re ­ genten legde Unico Wilhelm zich aanvanke- lijk mokkend en morrend bij het herstel van het stadhouderschap neer. De schrik over de gebeurtenissen van 1747 zat er immers nog goed in. Vier jaar later overleed prins Wil ­ lem IV plotseling, waarna diens echtgenote, prinses Anna, het stadhouderschap waar- nam tot de meerderjarigheid van haar toen driejarige zoon Willem V. Dit betekende echter onvermijdelijk een verzwakking van de macht van de Oranjes, en hun tegenstan- ders maakten daar onmiddellijk misbruik van. Zo ook Unico Wilhelm, die in de jaren vijftig tot de leiders van de anti-stadhouder- lijke oppositie in de Ridderschap en Staten van Holland moet worden gerekend.