pagina 22 najaar 2011

“De derde generatie Hietbrink op Twickel” Henk Hietbrink werkte 42 jaar als schilder op Twickel. Hij is de laatste gepensioneerde die de ‘baron’ nog heeft meegemaakt. Zijn roots liggen op Twickel. Zijn grootvader was pachter op bet erve Raesfelt in de buurtschap Deldeneresch. “Mijn vader Reintjan Hietbrink werd na zijn huwelijk in 1921 boer op het Twickeler ontginningsbedrijf De Goormeen in Azelo. Toen wij in 1934 vertrokken naar de kasteelboerderij melkte hij daar al 50 koei- en. Er waren knechten in dienst en mijn moeder werkte 00k mee. Zij maakte de melkbussen, de emmers en de zeven schoon. De kasteelboerderij fungeerde voornamelijk als akkerbouwbedrijf. Het ge- bouw verkeerde in slechte staat. De baron liet een grote maquette maken om te zien hoe het ontwerp voor een nieuwe boerderij in zijn omgeving zou staan. De maquette werd 00k neergezet op het Mollinkrot, maar de baron kon maar niet besluiten. Uiteindelijk is de maquette omgewaaid, de baron werd ziek en de plannen bleven liggen. De baron stierf in 1936. Na de oor- log is de boerderij grondig verbouwd.” “Zelf wilde ik beslist geen boer worden. Daarom ging ik naar de Ambachtsschool in Enschede. Met een stel jongens uit Delden en Hengelo reed ik er op mijn fiets naar toe. In die tijd leerde ik 00k mijn vrouw kennen. Zoals al het jonge volk in die tijd fletste mijn vrouw vaak met een vriendin door de Twickelerlaan, waar het al heel druk was. Zo zijn we bij elkaar ge- komen. Omdat ik als schilder geen baan kon vinden, werkte ik eerst op de lampen- kappenfabriek De Pelikaan in Hengelo. In 1942 werd ik te werk gesteld in Duitsland en daarna in Oostenrijk. Toen ik na de oorlog terugkwam, had tuinbaas Schut hulp nodig bij het verspenen in de moes- tuin. Daar ben ik een tijdje blijven hangen. Zo ben ik op Twickel gekomen. In 1946 zijn we getrouwd. Voor ons huwelijk werk ­ te mijn vrouw al in de wasserij van het kas- teel om mijn moeder te vervangen, die gordelroos had.” “Toen de schilder Oolhorst vertrok, vroeg ik de schildersbaas Ter Meulen of ik hem kon opvolgen. De vader en grootvader van Ter Meulen waren ook al schildersbaas geweest. Er werkten toen nog een stuk of vier schilders. Later bleven Johan Pek en ik met zijn tweeen over. We schilderden de boerderijen, de huurwoningen en gedeel- tes van het kasteel. Dat ging toen heel anders. We zetten een ladder op een boot in de gracht en voeren ermee rond. Zo wasten we 00k de ramen. Je moest je even- wicht goed bewaren en erop letten dat de boot goed vast lag. Een keertje ben ik kop ­ je onder gegaan. De boot lag wel aan- gebonden maar er zat speling tussen. Ik had er geen erg in en sprong de boot in. Die schoot weg en ik sloeg meteen achter- over het water in.” “Als we uit de ramen moesten hangen, ge- bruikten we angststeigertjes. Dat waren planken met daaraan een soort rug- leuning, die we door de opengeschoven ramen aan de vensterbanken hingen. In het kasteel werkten we soms 00k samen met de timmerlui. Zij zetten de kasten en de vloeren in de boenwas en maakten de ruiten als die kapot waren. Toen we eens in de bibliotheek waren, hebben we geweldige schik gehad met Johan Holterman. Toen hij in een overmoedige bui de helm van een harnas op zijn hoofd had gezet, begon er een deur te piepen. We dachten dat de barones er aan kwam. Johan kreeg zo het benauwd dat de helm die hij af wilde zetten, steeds vaster ging zitten. Toen we ontdekten dat de deur bewoog door een tochtvlaag, lukte het hem om de helm af te zetten. Ik heb op Twickel een mooie tijd gehad.” Aafke Brunt