pagina 21 herfst 1992

Regenten en hun bezittingen Wat dat betreft bleef het patriciaat verschil- len van de adel. Niet investeringen in land waren typerend voor de regenten, maar be- leggingen in overheidsleningen. De meeste regenten bezaten wel land, maar groot- grondbezitters waren ze vrijwel nooit. Ook het bezit van buitenplaatsen was onder re ­ genten beslist niet algemeen. Het was onder de gegoede burgerij een goede gewoonte om op het platteland een boerderij met een paar mooie kamers te bezitten, waar men ’s zo- mers kon verblijven, maar echte buiten ­ plaatsen waren betrekkelijk zeldzaam, en dat gold zeker voor een kasteel als Twickel. Als voorbeeld van de adellijke pretenties van het patriciaat is vaak gewezen op het feit dat regenten in toenemende mate overgin- gen tot de aanschaf van heerlijke titels. Met het bezit van een heerlijkheid werd de rechtsmacht over een bepaald gebied verkre- gen, en daarmee een status die deed denken aan die van een feodaal heer. Toch bleef het bezit van heerlijkheden onder regenten be ­ trekkelijk zeldzaam. Men vond de materiele voordelen niet van dien aard dat een heer ­ lijkheid aantrekkelijk was als belegging en de status vond men daar kennelijk niet te- genop wegen. De aanschaf van landerijen, buitenplaatsen en heerlijke titels was dus niet kenmerkend voor de regenten en ook met de veelbespro- ken ’verfransing’ viel het nogal mee. Slechts in de kringen rond het hof in Den Haag, waarin de heer van Twickel doorgaans ver- keerde, sprak men regelmatig Frans. Van Wassenaer beheerste die taal opvallend goed. Een Franse markies schreef over hem: ’il a lu tous nos bons livres franqais en parle avec assez d’eloquence’. De burgerlijke status In tegenstelling tot de adel toonden patri- ciers slechts zelden belangstelling voor een militaire carriere. Zij richtten zich in de eerste plaats op bestuursfuncties en dat was ook logisch, want hun zetels in de stedelijke raden vormden de grondslag voor hun maatschappelijke positie. De stad bleef hun basis. Ondanks alle statusvertoon bleef het opzich- tig tonen van weelde binnen de perken. Zel ­ den hield een regent er tien dienstboden op na of een koets met zes paarden, ook al kon hij dat best betalen. Er werd beslist niet ach- teloos met geld gesmeten, maar slechts zo- veel uitgegeven als nodig was om te laten zien dat men niet op een gulden hoefde te kijken. Finn mien, prestige en relaties Al waren er genoeg edelen met dezelfde ’cal- vinistische’ instelling – Unico Wilhelm van Wassenaer weigerde bijvoorbeeld mee te doen als er werd gedobbeld en gekaart – in het algemeen waren ze minder voorzichtig en niet zelden leidde dat tot financiele pro- blemen. De voor de adel kenmerkende schulden (waarmee ook Jacob Jan, de zoon van de heer van Twickel, te kampen had) ontbraken bij de regenten. Doorgaans droe- gen ze er zorg voor dat de uitgaven beperkt bleven tot een zodanig niveau dat er niet hoefde te worden ingeteerd op het vermo- gen. Op die manier kwam het familiekapi- taal niet in gevaar en kon een plaats onder de elite voor de volgende generaties worden gegarandeerd. Het consolideren van de maatschappelijke positie gebeurde behalve via de levensstijl ook via de huwelijkspolitiek. Men trouwde liefst in eigen kring. Door een weloverwogen huwelijk konden kapitaal, prestige en rela ­ ties worden verworven. In deze periode, waarin het grootste deel van de regenten rentenierde, werd kapitaal vooral verkregen via erfenissen en huwelijken. De schoonfa- milie was de belangrijkste bron van vermo- gensgroei. Maar rijkdom op zich was niet voldoende: vanwege het prestige van de fa- milie was wat men noemde een ’honnette af- komst’ van de huwelijkspartner onontbeer- lijk. Op dit punt was men zeer gevoelig. Geld kon de eerste de beste koopman ook bezitten, maar een patricisch geslacht onder- scheidde zich door een bestuurstraditie, vaak tot uiting gebracht in een stamboom die wemelde van qualificaties als ’oud- burgemeester’. Ideale huwelijkspartners De ideale partner had kapitaal, prestige en goede relaties. Het hing van de omstandig- heden af op welke wensen de nadruk werd gelegd. Een aanzienlijk, maar enigszins be- rooid geslacht had soms belangstelling voor partners zonder veel prestige, maar met veel kapitaal, terwijl rijke, maar nog niet gearri- veerde families concessies konden doen op het financiele vlak om via een huwelijk so- ciaal prestige of politieke connecties te ver- overen. Hetzelfde gold voor de adel. Ook edelen wa ­ ren gevoelig voor standsverschillen en trouwden doorgaans in eigen kring, maar behoefte aan geld of politieke overwegingen konden leiden tot huwelijken met partners uit patricische kringen. Het patriciaat beschouwde zulke huwelijken lang niet altijd als een eer. Toen de Leidse regent Pieter van Leijden in 1712 zijn 15-ja- rige dochter uithuwelijkte aan een baron gaf zijn collega Johan van den Bergh als com- mentaar: ’Onsen soogenaamden Heer van Leijden, die in alles uijtsteecken wil, die heeft dat oock, soo ick sie, in dit huwelijck gedaan van sijn dogter. Ende geloof ick dat in sulcken geval wij wel van de laatsten sijn sullen om die aperijen na te doen’. De rol van de ouders Het huwelijk was behalve een ’alliantie’ tus- sen twee families natuurlijk ook een samen- levingsvorm, en zakelijke belangen werden afgewogen tegen persoonlijke voorkeuren.