pagina 20 zomer 1995

De Marke als verantwoordelijk orgaan voor het onderwijs Schoolhistorie in Weddehoen en Cotwick Het Twentse onderwijs, zowel in de stadjes als in een aantal marken op het platteland, bestond reeds rond het jaar 1650. Voor de bouw en het onderhoud van de school was op het platteland de marke verantwoordelijk. In de steden was dit op een andere manier geregeld, daar was of een kerk / klooster / de magistraat (stadsbestuur) of een riddermatige de „eige- naar” van het onderwijs. De schoolmeester, iemand die lezen,schrijven, rekenen en zingen moest kunnen, (hoewel daar vaak nog wel het een en ander aan mankeerde), werd ophet platteland door de marke aangesteld. Ze konden uit de eigen marke afkomstig zijn, maar evengoed vanuit het „bui- tenland”(= buiten T wente) worden aangesteld. Het salaris, in de 18 eeuw ± f 25,- per jaar, werd door de overheid d.w.z. Ridderschap en Steden(= de Staten van Overijssel), betaald en werd aangevuld met wat de ouders aan schoolgeld moes- ten betalen. G. Nijhuis Er is een speurtocht in de archieven nodig om de spora- disch aanwezige stukken over het onderwijs op het Twentse platteland te vinden. Ze zitten zowel bij de Markenarchieven als bij die van de overheid. De Heren van Twickel , waren in diverse, rondom de stad Delden gelegen marken,markerichter, zo ook in die van Wiene en Cotwijk (=Zeldam). In het Markeboek van Wiene, lopend van 1641 t/m 1839, komen overdejaren 1807 t/m 1823 enige stukken over de markeschool en de schoolmeester voor. De toenmalige regering had in 1807 een wet uitge- vaardigd die bepalingen betrof over de (grootte? en ) inrichting van de scholen. Op de Holtink (=markevergade- ring ) van 14.9.1807 werd besloten om aan de Timmer ­ mans Baasen Arent Nijland en Gradus Visschedijk en aan de metzelaar G.Veehoff’ de verbouwing van de reeds bestaande school op te dragen. De begroting geeft Reconstructietekening door de auteur van de school in Wiene. f 128,4,4 (= 128 gulden, 4 stui vers en 4 penningen) te zien, waaruit met een klein beetje moeite de aanpassing van de reeds bestaande school is op te maken. Zoals toentertijd op het platteland in Twente nagenoeg alle bouwwerken uit het „vierkante eiken houtwerk” bestond, waarbij de buiten- muurvakken waren ingevuld met „wand” , is dit met 99% ook van deze school te veronderstellen. Wand, is het vlechtwerk van vertikale staken (sprenkelen) met horizon- tale takken, bestreken met een mengsel van leem, mest en stro. De verbouwing De school krijgt, naast reeds bestaande ra(a)m(en), een bolkozijn met een raam van 9 ruiten. Een bolkozijn is een rechthoekig kozijn meestal opgevuld met glas-in-lood , waarbij aan de binnenzijde zware ijzeren staven (zgn. dief- ijzers) zijn aangebracht. Dit raam zal vrij groot geweest moeten zijn om voor de noodzakelijke lichtinval te zorgen. In een ander kozijn waren 3 ruiten kapot. De boesem (schoorsteen, eigenlijk de rookvang), zal voordien vanwe- ge het open vuur (zeker nog geen kachel) ongeveer midden in het uit een vertrek bestaande school, hebben gezeten. Mogelijk werd het vuur al aan de buitenmuur gestookt. In 1807 krijgt de school in Hasselo een kachel met de nodige pijpen en een plankenvloer. Waarschijnlijk is dit toen wet- telijk verplicht gesteld en zal dit ook voor de school in Wiene hebben gegolden. In het markeboek staat een bet- aling vermeld (geen rekening) van in het jaar 1805 gele- verde stenen en pannen aan de school. Misschien is dus in 1805 een schoorsteen geplaatst. Voor de nieuwe vloer waren 425 voet (425 x 31 cm =131.75mtr lengte) planken nodig. Omdat hieronder balken werden geplaatst, waarvan de lengte in het bestek vermeld staan nl. 18 voet lang,is de binnenwerkse breedte van het schooltje te berekenen nl. 5,58 mtr. Omdat wel de totale lengte, maar niet de breedte der plank en wordt vermeld, is de lengte van de school De school in Wiene op de kadastrale kaart van 1832.