pagina 20 najaar 2007

Mijn leermeester mijn oog en zijn oor Jan Meijerink schrijjt met zekere regelmaat over vogels en de vogelstand op het landgoed Twickel. Ook heeft hij zo’n zeven cd met vogelzang en – geluiden uitgebracht. Hoe komt iemand ertoe geruisloos door een ontwakend bos te sluipen om zo getjilp, gekras en gezang vast te leggen? “Mijn leermeester was de toen in Delden de zeer bekende ornitholoog H. Schweig- man, die veel bij mijn ouders over de vloer kwam,” vertelt Meijerink. “Ik was in die tijd vaak bezig met het natekenen van vogels uit boekjes. Die tekeningen had hij eens gezien en mij voorgesteld met hem mee het veld in te gaan. Want zo was ik alleen maar bezig als kamerornitholoog! Dus zo is het begonnen. Vanaf 1950 ging ik regel- Middeiste bonte specht. matig met hem op stap. Een saillant detail is, dat hij doofwas. Hij leerde mij kijken en ik vertelde waar ik vogelgeluiden hoorde. Ik was voor hem het oor en hij was toen ik net begon metvogelen mijn oog.” Zeldzame soort In het begin van zijn ‘vogelcarriere’ was Meijerink er vooral op uit zeldzame vogel- soorten te ontdekken. Vooral aangemoe- digd door het feit dat hij als snotaap, zoals hij zelf zegt, de middelste bonte specht op het landgoed ontdekte. Ornithologen uit heel Nederland togen in 1955 naar Twickel om met eigen ogen dit vogeltje met de knalrode bovenkop te zien. Het was slechts tot 1962 dat deze spechtsoort op het land ­ goed voorkwam om te broeden en jongen groot te brengen. Strenge winters en een moordende nestplaatsconcurrentie door spreeuwen maakten een eind hieraan. Thans is deze specht vanuit Duitsland bezig met een opmars naar het westen. Al enkele jaren broeden er meer dan twintig paartjes in Oost -Twente en allengs worden er meer geschikte biotopen bezet. “Vorig jaar werd hij voor het eerst weer op Twickel waargenomen en er werd zelfs door een paartje een nestholte uitgehakt,” vertelt Meijerink. “Het is niet bekend of daarvan de jongen zijn uitgevlogen.” Dit jaar is de soort op verschillende plek- ken in deTwickelse bossen waargenomen, niet alleen in het grotere boscomplex, maar ook o.a. langs de Twickelervaart, zelfs tot aan de Noordmolen en het Koemater- veld. Het bezette gebied is thans veel gro- ter dan veertig jaar geleden. Mogelijk zijn er nu minstens vijf paartjes, waarvan zeker een een nestholte heeft uitgehakt nabij het Bornse Voetpad. “De voorkeursbiotoop van deze specht bestaat uitoudere loofbossen waarbij eiken de voorkeur genieten. Maar ook heb ik wel nestholten aangetroffen in beuk, haagbeuk en els. De holte wordt bijna altijd gemaakt in de zwakste plekken, bijvoorbeeld in afge- broken takken of daar waar de boom door een zwam is aangetast." Waarneming In de maanden maart en april is deze vogel makkelijk waar te nemen, omdat hij zich