pagina 19 winter 2003

Vergroting bosareaal ingegeven door noodzaok Het ontstaan van de Twickelse bossen In een van haar prachtige gedichten bezingt Johanna van Buren de majestueuze bomen rond kasteel Twickel. Ook heden ten dage genieten velen van de prachtige lanen, de uitgestrekte bossen, de stereotiepe houtwallen en de indrukwekkende solitairen langs een beek of in een weiland. Toch is dit niet altijd zo geweest. Twickelsch beume hek bewonderd Naens hek eerder zulke ‘zeen. Del dee pot zint, is wel wisse Honderden van Joor’n eleen. Beume, oeuwe koninklijke Fierheid trofmiej ieder keer Ziej’misschien van oalen adel Net alleen as oewen heer? Joh. F. van Buren, 1928. O ngeveer driehonderd jaar geleden bestond het landschap in Twente nog voomamelijk uit heide- velden en moerassen, afgewisseld door essen, weiden, en houtwallen. Uitgestrekte bossen waren er vrij- wel niet. De kaart van de Twickelervaart uit ca. 1787 laat zien, dat in de omgeving van Delden slechts enkele kleine boscomplexen aanwezig waren. Deze lagen in de buurt van het kasteel langs de Twickelervaart en bij enkele voor- malige havezaten en boerderijen. De bossen zoals wij ze tegenwoordig kennen, zijn voor een groot deel volgens een bewuste planning ontstaan. Als eerste is hiermee begonnen Graaf Unico Willem van Wassenaer Obdam (1692-1766). Omstreeks 1760 begon hij zijn ideeen te verwezenlijken om het bosareaal van Twickel te vergroten. Voor een deel was dit door noodzaak ingegeven. Het grote aantal boerderijen, schuren, bruggen en molens vereiste een indrukwekkende hoeveelheid tim- merhout. Dat werd aangevoerd via Zuiderzee, IJssel, Vecht en Regge. Vandaar werd het met boerenwagens ver- der getransporteerd naar de plek waar het nodig was. Het hebben van eigen bossen en een zagerij zou dus een groot voordeel betekenen. Visiteren en inspecteren In de Instructie voor de rentmeester omschrijft Unico Willem in 1760 zeer uitvoerig welke taak de rentmeester had in de bosplanning. Zo staat in artikel 1: ‘Den rent ­ meester sal jaerlijx, en van tijd tot tijd, na geleegentheit, de Boschen en hetHoutgewas visiteeren en inspecteeren’. In artikel 3 staat dat hij aan de pachters bekend moet maken en hen er regelmatig aan moet herinneren dat zij geen eiken, beuken of ander hard- hout, hetzij opgaand hak- hout, ‘mogen houwen of snoejen, maer ook geen swaere Elsen. Popelen of diergelijk soo genaemt week Hout’. Verder staat uitgebreid beschreven dat de pachters ver- plicht waren om op hun erf telgenkampen, aan te leggen, waarop tot kieming gekomen eikels verder werden opge- kweekt tot boompjes. Afhankelijk van de grootte van het erf moest iedere pachter jaarlijks 25 tot 50 nieuwe telgen planten. Hij moest dus de gaten graven, waarvoor strikte afmetingen golden. Bosarbeiders zorgden vervolgens voor het planten. Ook daarvoor bestonden nauwkeurige regels. Voor ieder plantgat en de verzorging van het boom- pje ontving de pachter zes duiten. Voor het doorsteken van een oerbank ontving hij zelfs een stuiver. De rentmeester moest op al deze regels streiig toezien en nauwkeurig aan- tekening houden van al het plantwerk. In de pachtakten uit de achttiende en negentiende eeuw staat dat de pachters alleen het weeke hakhout voor eigen gebruik mogen benutten en dat zij dit wel regelmatig, doch niet binnen drie jaar mogen doen. Bij de bebouwing van grond, het graven van greppels of sloten en het steken van plaggen moesten zij drie ellen van bomen en houtwal ­ len afblijven. Uit bovenstaande blijkt dat rondom de boerenerven veel eiken werden geplant. Heden ten dage zijn er nogal wat van deze oude eiken overgebleven, die door de Stichting Twickel met het oog op de landschappelijke uitstraling als waardevol parkbos worden beheerd. Het boscomplex bij de voormalige havezate Dubbelink. Detail uit de door H.J. van der Wyck getekende kaart van de Twickelervaart. Foto: L. Vrij.