pagina 19 winter 1994

Over jachthoorns, jachtbitter, kruitpannen, hartsvangers en jachtsperen Het spoor van de jacht in kasteel Twickel De eerste indruk dat de jacht op Twickel een rol zou kunnen spelen, krijgt de bezoeker op de mat binnen de voordeur. Een enorme Canadese eland kijkt langs zijn grote neus indrin- gend of de bezoeker zijn schoenen wel correct veegt. Enige stappen verder wordt de entree van de benedengalerij geflan- keerd door de geweien van twee Aziatische sambarherten die elk een aantal mooie jachthoorns torsen. Ondanks hun zeer eerbiedwaardige leeftijd zijn de horens in staat de jachtsig- nalen zuiver te doen schallen en hun boodschappen de wijde omgeving in te sturen. Reinier Voute Op een schilderij in de blauwe salon zien wij een jonge- tje met hond en weitas zoals hij in de 17e eeuw werd afge- beeld. Met ietwat moderne kleding en een andere weitas zouden we de nakomelingen van jongen en hond op een mooie herfstdag kunnen zien lopen. De weitassen van meerdere generaties jagers zijn zorgvuldig opgeborgen in een kast op het trapbordes. In een donkere hoek van het onderhuis hangen de horens van een gems die door een van de heren van Twickel is ver- schalkt in de Alpen. Een plaats of datum is niet te vinden maar de zorg waarmee de trofee is gepolijst naar de mode van de vorige eeuw doet vermoeden dat het destijds als opgezette kop een tastbaar aandenken is geweest aan een enerverende jacht. De restjes van de hoofdhuid zijn nu ver- wijderd en de glanzende gems-„krukken” op een plank gemonteerd opdat het in zijn beste nog bestaande vorm wordt bewaard. Wapenkamer Via de overloop van de derde verdieping begeven wij ons nu naar de wapenkamer. Onderweg zien we de opge ­ zette kop zonder gewei van een reegeit die ons er aan her- innert dat dit destijds vrij zeldzame wild kennelijk zo gewaardeerd werd dat ook een niet-geweidrager voor het nageslacht werd bewaard. In de 17e en 18e eeuw wist men eigenlijk zo weinig van het reewild dat de biologen van toen het beschreven als de onvolwassen vorm van het edel- hert. Aangekomen op de wapenkamer zien wij een overwel- digende hoeveelheid wapens. Nadat wij onze vredelieven- de natuur voor het verdere verloop van deze rondleiding even hebben verdoofd met een stevige slok jachtbitter uit een van de aanwezige heupflacons bekijken we de uitge- stalde wapens nader. Jachtwapens De jachtwapens zijn te verdelen in twee grote groepen, de vuurwapens en de zogenaamde blanke wapens. Het eer ­ ste gebruik van vuurwapens in Europa is in de 13e eeuw in de vorm van kanonnen die afgevuurd werden door een smeulende lont tegen het zundgat te houden, een methode die tot in de 19e eeuw werd gebruikt. Het eerste handvuur- wapen functioneerde op de zelfde wijze, alleen werd de lont door een hefboompje naar het zundgat bewogen, dit noemt men een lontslot. Voor een betrouwbaardere ontsteking ging men over op een vuursteen en een stalen rasp waarmee een vonkenregen op het kruit in de „pan” sloeg. De pan is een klein bakje aan de zijkant van een loop die door een klein gaatje in verbin- ding staat met de kamer of achterzijde van de loop. Hier in zit de lading kruit die de kogel uit de loop schiet. De eerste en meest kostbare vuursteenontsteking was het radslot. Een horlogeveer dreef een radertje aan dat langs de vuursteen liep zoals in een hedendaagse aansteker. Leonardo da Vinci tekende al een radslot in 1500. De twee- de vuursteen ontsteking is een door een bladveer aangedre- ven haan met een stukje vuursteen in een bek geklemd, die langs de rasp schraapt. De rasp wordt door de haan naar De auteur van dit artikel bij de kast in de wapenkamer, waarin een groot aantal jachtgeweren zijn opgeborgen. Foto: John Mulder.