pagina 18 zomer 1996

die Hako van zijn vader erft, alsook van zijn moeder Adriana van den Rutenberg na haar overtijden zullen uit- betalen in vijftig mud rogge per jaar, alsmede vijfhonderd goudgulden in eens na het overlijden van hun moeder. De jaarlijks uit te keren hoeveelheid rogge mag ook worden afgekocht door betaling van twaalf goudgulden per mud per jaar (dus zeshonderd goudgulden per jaar). Deze akte zegt dus niets over de verdeling van de goe- deren. Er is slechts sprake van de afkoop van de erfenis van broer Hako, geestelijke en domheer te Munster, later te Paderborn. Mogelijk was Hako als geestelijke in 1508 meer gebaat bij een uitkering in geld en natura, bij intrede in een klooster vervielen de onroerende goederen van de kandidaat als regel aan de orde. Het jaar 1508 valt wellicht samen met de intrede van Hako in het klooster. Verder is het mogelijk dat een defnitieve verdeling van de nalatenschap werd uitgesteld naar het tijdstip waarop de moeder van de broers zou komen te overlijden. Adriana van den Rutenberg overleed in 1513 en het is mogelijk dat toen pas de gehele erfenis voor een definitieve verdeling in aanmerking kwam. Verdeling pro forma De constatering dat de boedelverdeling niet plaats vond bij akte van 1508, doet de vraag rijzen wanneer dat dan wel het geval was. We kunnen vaststellen dat de havezaten Twickel, Rutenberg, Eerde, Hengelo en andere goederen na de dood van vader Johan door verschillende broers wer- den bestuurd. Wellicht is men overgegaan tot een verde ­ ling pro forma, in afwachting van een definitieve, juridisch onderbouwde regeling. Wellicht ook is er inderdaad een tweede, nadere akte opgemaakt, die tot nu toe niet kon worden achterhaald. Bezien we de akte uit 1508, dan valt het op dat er slechts sprake is van vier namen: Johan, Frederik, Adriaan en Hako. De genealogie van de Van Twickelo laat echter ook de namen zien van de broers Herman en Adolf, waar- van verwacht mag worden dat ook zij zouden delen in de erfenis van hun vader. Ook eventuele dochters komen bij de deling niet voor. Deze stilzwijgendheid over broers en zuster(s) in de akte van 1508 doet vermoeden dat er waar- schijnlijk nog een akte moet zijn, waarin een en ander wel geregeld zal zijn. Aangaande broer Herman, die later Borg Beuningen bezat, is het opvallend dat ook in 1508 die havezate werd aangekocht door zijn broer Johan. Fideicommis Toch is er enig licht te brengen in de magenscheiding van het grote goederencomplex na 1500. Ter Kuile noemt bij de behandeling van het Huys Hengelo het bestaan van een zogenaamde fide commis: een wijze van vererving, waarbij men zijn erfenis niet mag verkopen, maar uitslui- tend mag beheren om het door te geven aan een volgende begunstigde. Dit fide commis zou door Frederik van Twickelo in 1544 zijn opgesteld. Het komt naar voren tij- dens een proces tussen Willem Ripperda, heer van Hengelo, en Jan van Twickelo tot Borg Beuningen in 1649. In een van de bijlagen van het procesverslag wordt mel ­ ding gemaakt van een fidei commis tussen de broers Herman en Frederik van Twickelo in 1544. Geschreven staat: So hebben sick die gebroedere vriendelijck, lijjflijck ende broderlijck vergeleecken ende verdraegen, soo dat Herman van Twickelloe sich sal begenoegen laeten mett eene somma golts van twee duysent goltguldens unde datt dyenvolgens alle onder den aedelijcke Huys Hengelloe resorterende ende gehoerdende erven en goederen onbes- waert bij den anderen (=Frederik) sollen sijn ende blijven. Huys Hengelo Deze aanhaling komt er op neer dat Frederik tweedui- zend goudgulden betaalt aan zijn broer Herman, opdat die geen aanspraak kan maken op goederen die behoren onder het Huys Hengelo. Dat zou wellicht een vrijblijvend gebaar van Frederik kunnen zijn geweest, maar dat lijkt nauwelijks denkbaar. Daar tegen pleit ook het vervolg van de overeenkomst, waarin gesteld wordt dat alle goederen behorende onder het Huys Hengelo zullen vervallen aan de tak van de Van Twickelo‘s op Borg Beuningen, indien er geen mannelijke nakomelingen van Frederik of zijn even ­ tuele zonen zouden zijn. Die overeenkomst had tot doel: tot onderholdinge des adellijcken naemens ende geslechte van Twickelloe die saementlijcke totten Hyys Hengelloe ende Frederick van Twickelloe toebehoerende De naam Van Twickelo diende dus tot in lengte van dagen aan het Huys Hengelo verbonden te blijven. In een andere bijlage bij hetzelfde proces wordt aange- haald dat: Frederik en Herman, nejfens haer andere broderen in den jaere 1544 hun olderlijcke goederen hebben gedeijlt. Die medeling komt er op neer dat de broers Van Twickelo pas in 1544 tot een definitieve regeling zijn gekomen aangaande de nalatenschap van hun vader. In dat licht gezien is het misschien niet zo vreemd dat ook in 1544 Frederik van Twickelo (weer) met het Huys Hengelo werd beleend. Vervolgovereenkomst De Westfaalse historicus Fahne schrijft dat er tot drie- maal toe sprake is van een overeenkomst betreffende een fide commis. Een bezoek aan het Landesarchiv te Munster gaf slechts “einem Verfolg iiber das zwischen den Gebriidern von Twickel zu Hengeloh und von Twickel zu Borg Boningen errichtete pactum gentilitum et fedei com- missim von 1623” te zien. Dat zou betekenen dat het gevonden Duitse stuk een latere versie is. Helaas was de tekst zelfs voor ervaren transscribenten niet leesbaar. Op grond van het bovenstaande kan geconcludeerd worden, dat als de bijlagen van het processtuk uit 1649 betrouwbaar zijn, de definitieve verdeling van de goederen van Johan II van Twickelo pas plaats vond in 1544. Bronnen: G.J. ter Kuile, Geschiedkundige aantekeningen op de havezathen van Twenthe, herdruk, 1974. A.J. Gevers en A.J. Mensema, De havezaten in Twente en hun bewoners, Zwolle, 1995. Huisarchief Twickel, in v.nr. 11. R.A.O. Zwolle, Hoge bank van klaring, port. 5541. Landesarchiv Munster, Index Fiirstentum Munster, Band III, Abt. 89-249; Havixbeck, p. 878, Fach 246 nr. 29.