pagina 18 winter 1994

Gezondheid Het percentage reeen dat in het werkgebied wel aanwe- zig is maar tijdens de telling niet wordt gezien ligt ongeveer tussen de 15 en 25 %. Toen het bestuur van de WBE Twickel inzicht had gekregen in de populatiegrootte werd er gekeken naar de geslachtsverhouding in de populatie en het aantal bekend zijnde stuks valwild (40 a 50 per jaar). Als valwild worden aangemerkt die reeen die door het ver- keer, verdrinking of andere oorzaken om het leven komen. Wat ook werd bijgehouden is het gewicht van ieder geschoten dier. Het gewicht wordt bepaald door het geschoten dier ontweid (zonder ingewanden) met kop te wegen. Het gewicht is belangrijk, omdat dit aangeeft of het betreffende dier in goede conditie is. Een goede gezonde reebok moet, op bovengenoemde wijze gewogen, onge ­ veer 17 a 18 kilo wegen. Een goede gezonde reegeit op dezelfde manier gewogen moet ongeveer 16 a 17 kilo wegen. Voedsel Het gemiddelde gewicht in 1994 van de reebokken was 15 kilo en van de reegeiten 14.6 kilo. Te laag lichaamsge- wicht bij reewild gaat vaak samen met een te grote popula ­ tie in een gebied waar het reewild verblijft. De draagkracht van de biotoop wordt overschreden; met andere woorden er is niet genoeg voedsel voor het aantal dieren dat in dat gebied verblijft. Afschotplan De drie eerder genoemde punten: het aantal, het gewicht en de geslachtsverhouding aangevuld met het aantal stuks valwild en de aanwas van kalveren per jaar vormen de pei- lers die de reewilddeskundigen binnen de WBE Twickel hanteren om tot een afschotplan te komen. Het aantal getel- de reebokken en reegeiten vormt de voorjaarsstand in het werkgebied. Het aantal getelde reegeiten van deze voor ­ jaarsstand x 0.85 geeft aan hoe groot het komende jaar de verwachte aanwas aan reeklaveren zal zijn. Als het afschotplan klaar is, zijn daarop de aantallen ree ­ bokken en reegeiten vermeld, waarvan de reewilddeskun ­ digen binnen het WBE bestuur vinden dat die uit de stand moeten worden weggenomen. Dit kan in aantal per jaar en onderling in reebokken en reegeiten verschillen. Ook het toegewezen aantal reeen dat voor afschot wordt vrijgege- ven aan de individuele jager hoeft niet ieder jaar gelijk te zijn. Reeen die worden geschoten, worden niet alleen gewogen maar ook voorzien van een wildmerk van de Vereniging „Het Reewild”. Bij het afschot wordt door de reewildjager als volgt te werk gegaan. Eerst wordt een aantal jonge dieren, jaarlin- gen, geschoten. Hier geldt als motto: het slechte afschieten en de dieren met goede aanleg sparen. Daama komen de slecht ontwikkelde oudere dieren aan de beurt. Beperking van schade Het kan ook voorkomen, dat er in een bepaald deel van het werkgebied van de WBE een verhoogd afschot van ree ­ wild wordt toegekend. Zo’n verhoogd afschot vindt bij- voorbeeld plaats, als er te veel schade wordt toegebracht aan jonge aanplant. Schade aan jonge aanplant kan door Jacht is niet alleen een zaak van oude heren. reebokken worden toegebracht, wanneer de bok zijn gewei schuurt tegen een jong boompje. Hierdoor wordt de bast van het boompje beschadigd en gaat het boompje dood. Een andere veel voorkomende schade aan jonge aanplant wordt toegebracht, wanneer de reeen de top van het jonge boompje afbijten. Het vastgestelde aantal reeen, dat voor afschot in aan- merking komt, wordt verdeeld onder de reewildjagers bin ­ nen het werkgebied. De richtlijnen die daarbij worden gehanteerd zijn de oppervlakte van het jachtveld van de desbetreffende jager en het aantal in het gebied getelde reeen. Tot slot Het moet een ieder duidelijk zijn, dat wil er van een ver- antwoord reewildbeheer sprake zijn, er ingrepen moet wor ­ den door middel van afschot. Als het afschot gebeurt op de wijze die binnen de WBE Twickel regel is, is er niets aan de hand en zal de recreant tot in lengte van dagen reeen kun- nen gaan kijken op het landgoed Twickel.