pagina 18 lente 1997

sen, verschillende soorten wilgen en zelfs de bijzondere eenbes. Kadaster Begin 19e eeuw voerde men in Nederland een nieuw belastingstelsel in, waarmee de belastingen voor het hele land gelijk getrokken zouden worden. Van alle gemeenten werden kaarten gemaakt, waar de percelen op ingetekend zijn. Van ieder perceel werd vermeld, waar het voor gebruikt werd en wat de waarde van het perceel was. In Stad en Ambt Delden zijn de laatste metingen in 1830 uit- gevoerd. Omdat precies vermeld werd, wat er op een per ­ ceel verbouwd werd, kan een beeld gevormd worden van het soort bos rond Twickel. Het eerste dat bij de kadasterkaarten van Twickel opvalt, is dat het bos, dat al op de Hottingerkaart van 1783 staat aangegeven (het Twickelerbos, bij Dubbelink en de Bakspieker), vrijwel allemaal als opgaand bos is beschre- ven. Het tweede dat opvalt is, dat er rond de erven kleine bosjes liggen. Van deze bosjes worden allerlei variaties van hakhout beschreven, zoals bos met hakhout, eiken- hakhout en week hakhout. Op sommige plekken is heide met bomen te vinden. Het eerste stukje dennenbos is vlak- bij de Stokkert te vinden. Het Twickelerbos en de andere opgaande bossen waren behoorlijk veel waard. De belasting, die voor deze bossen betaald moest worden, varieerde van 8 tot 24 gulden per hectare. De bossen, die later op de woeste gronden werden aangelegd, werden op de allerslechtste grond aangelegd (heide van 50 cent per hectare). Akkermaalshout Houtwallen of bosjes, die voomamelijk voorbrandhout werden gebruikt, werden akkermaalshout of meyhout genoemd. Ze bestonden uit soorten al s els, berk, es, wilg en populier. Door een groot gebrek aan brandhout werden de houtwallen en heggen zeer vaak gekapt, waardoor er nog maar weinig van over bleef. De landrentmeester van Twente schrijft in 1764, dat er nog maar enige heggen of wallen over zijn in de provincie. Op Twickel was het akkermaalshout bij de pacht inbe- grepen. De pachter mocht het weke hakhout als wilg-, els- en berkenhout, om de zoveel jaar kappen, mits het niet gereserveerd was door de verpachter. Als de pachter zijn erf zou verlaten, mocht hij het laatste jaar geen hout jonger dan drie jaar kappen. In een pachtcontract uit 1763 staat, dat de pachter het weke hout goed moet onderhouden en alle grond. die vrij is, moet beplanten met elzen, populier- en of wilgen. In een pachtcontract uit 1938 worden naast deze drie soorten ook essen genoemd. In dit contract wordt onderscheid gemaakt tussen knotwilgen en -populieren en gewone wilgen en populieren. De knotbomen zijn voor het gebruik van de pachter. De opgaande bomen zijn voor het gebruik van de verpachter, ook als de pachter de opgaande bomen zelf heeft geplant. De rentmeester moest erop toe- zien, dat de boeren het hout niet vemielden en de stobben niet benadeelden. Als richtlijn voor het kappen werd een keer in de negen a tien jaar aangehouden. Telgen Niet alleen op het landgoed was een gebrek aan hout. In 1691 wordt ook in de Groote Boermarke (Delden) beslo- ten, dat enkele gecommitteerden plaatsen aan zullen wij- zen, waar een telgenkamp gemaakt kon worden. Hierin werden jonge eiken opgekweekt om ze later uit te kunnen planten. Vanaf 1760 zijn plantgegevens te vinden van de heer van Twickel. Grote en kleine bomen werden geplant en soms werden percelen ingezaaid met dennenzaad, eikels of beukennootjes. De Twickelerlaan is tussen 1773 en 1783 herbeplant met 1041 eiken en 941 dennen. Dit geeft wel aan hoe het inzicht in bosbeheer verandert in de loop der tijd. Tegenwoordig zou geen enkele beheerder dennen in een laan planten. Het plantgoed werd opgekweekt in telgenkampen voor eiken, dennenkampen en kampen met akkerstikken voor akkermaalshout. Soms werd een oude telgenkamp uitge- dund en tot opgaande eiken bestemd. Eind 18e eeuw wer ­ den vooral veel eiken en dennen aangeplant. De pachters moesten ieder jaar een bepaald aantal telgen op hun erf planten. Een vol erf moest er 50 planten en een half erf 25. Per jaar werden zo’n 1000 telgen geplant. In 1827 wordt ook het planten van kreeften vermeld. Kreeften zijn hele jonge eikenboompjes, die al op 2 a 3- jarige leeftijd worden verpoot. Ook worden onregelmatig enorme aantallen dennen geplant op de heide-ontginnin- gen. Vanaf 1823 wordt jaarlijks het planten van akker ­ maalshout vermeld. De plantlijsten worden halverwege de 19e eeuw steeds langer. Er komen stikken bij: eiken die in grootte tussen kreeften en telgen in zitten, en er worden beuken, elzen, iepen, berken, wilgen, populieren en larixen geplant. Het pootgoed werd op Twickel zelf gekweekt. Wat er te veel was opgekweekt werd verkocht aan derden. Eind vorige eeuw en begin deze eeuw werden er zoveel dennen aangeplant, dat de eigen kwekerij niet genoeg kon aanleveren en er veel zaai- en kweekgoed besteld moest worden. In 1920 werden veel dennen, eiken en witte elzen besteld. De witte elzen werden onder de eiken geplant, waardoor de eiken beter konden groeien door de stikstof- binding van de elzen. Plantmethode In het reglement voor de rentmeester van Twickel uit 1760 staat uitgebreid beschreven, hoe de telgen geplant moesten worden. Op hoge. losse grond werd in het najaar geplant, op lage en vochtige gronden in het voorjaar. De plantkuilen voor de telgen moesten vier voet breed in het vierkant zijn. Een voet is ongeveer 30 cm. De bovenste en beste aarde die uit de kuil kwam moest op de bodem van de kuil teruggestort worden. Zo kwam de aarde met de mees- te voedingsstoffen dicht bij de wortels. De bodem van het plantgat moest goed doorstoken worden, zodat de ijzeroer gebroken werd en de wortels dieper de grond in konden dringen. Er diende op zo min mogelijk plaatsen tegelijk geplant te worden, omdat de opzichters anders niet goed op konden letten. Op heide, zand en oergrond, waar geen eiken konden groeien, moesten dennen gezaaid of gepoot worden. Onder de telgen moest vaak gespit worden om de groei te verbe- teren en de hoeveelheid onkruid te verminderen. Bovendien werd er veel diepgespit om de grond te verbe- teren. Percelen werden in hun geheel vijf voet diep omge- zet. Er werden veel sloten gegraven en er werd veel bekalkt om ervoor te zorgen dat de telgen aansloegen. Ter bescher-