pagina 17 zomer 2010

recreatie, bossen en het agrarisch gebied. Het ging gepaard met fundamentele discussies met vertegenwoordigers van de landbouw en de jacht. Bijvoorbeeld over de vraag of de jacht op de wintertaling en houtsnip gestaakt moest worden. “Dan zaten we gerust tot middernacht in de kelder van het kasteel. "Je bent net mijn teckel, je laat nooit los”, zei een jagertegen mij.” Het prachtige van Twentenaren, vindt De Bruijn, is dat je daama gerust een borrel met ze kan drinken. Aan de andere kant is Twente volgens hem een lastige streek voor natuurbehoud. “Weinig natuur- beschermers konden hier goed uit de voeten.” Hij refereert aan de grote spanningen die er zijn geweest met agrariers en verklaart dit doordat de eerste natuurbeschermers in Twente textiel- baronnen waren. “Mogelijk is natuur- bescherming hier lange tijd met feodalisme geassocieerd.” Karakter Als adviseur namens Natuurmonumenten heeft De Bruijn de afgelopen 25 jaar op ver- schillende landgoederen in Twente gewerkt. Elk landgoed heeft zijn eigen karakter, bepaald door de natuurlijke gesteldheid en vele generaties van eigenaren. Voor de Bruijn was het een uitdaging om het karakter van Twickel te peilen. “Het wezen van de eigenaar bepaalt het wezen van een landgoed. Ik kijk en luister, vraag me af wat en waarom ze hebben gedaan. Als ik dat begrijp, kijk ik wat ik toe kan voegen. Maar bij Twickel was dat buiten- gewoon moeilijk. Het heeft een paar jaar geduurd voor ik het begreep. Het zit ‘m in het feit dat Twickel eeuwenlang afgezon- derd is geweest, letterlijk afgesloten voor de buitenwereld. Er is veel bijzondere, verborgen natuur. Bovendien ademt het een sfeer van soberheid, zoals Herman Haverkate dat prachtig heeft beschreven in een verhaal in het Jaarboek Twente van 1978. Je ziet het aan de zwart-witte luiken en je vindt het bijvoorbeeld in de dennen- bossen ten zuiden van Delden. Die stilte, zo tijdloos.” Middelste bonte specht Terugkijkend zegt De Bruijn harmonieus samengewerkt te hebben met de Stichting, de Vrienden, pachters en de jachtopzichters en tevreden te zijn over het gezamenlijke resultaat. De natuurterreinen liggen er vol ­ gens hem zonder uitzondering prachtig bij. De afgelopen twintig jaar zijn ze in oude glorie hersteld, door heidegebieden op te knappen, vergraste delen te plaggen, houtopslag te verwijderen en de waterhuis- houding te herstellen. Dit dankzij de jaren- lange goede samenwerking met de bosbaas van Twickel, Cert-Jan Roelofs. Op het landgoed is de ontwatering een half toe geroepen en hebben bijvoorbeeld de Hagmolen- en Azelerbeek deels hun meanderende loop weer teruggekregen. In de bossen is de verjonging in gang gezet en is er consensus over de functies van de bosgebieden. Ook ziet De Bruijn het als een goede ontwikkeling dat, voort- bordurend op het beleid van de overheid, Niet al het het dode hout wordt uit de bossen van Tu/ickel verwijderd. De Breeriet. er in Twickel nieuwe natuur is aangelegd en de landbouw deels is geextensiveerd. “Zelfs de rogge is hier en daar terug- gekomen.” Als grootste natuursucces noemt hij de terugkeer van de Middelste Bonte Specht, de vogelsoort waar Twickel in de jaren zestig vermaard om was. De kleine vogelpopulatie, aangetrokken door de oude eikenbossen met veel dood hout, was in 1962 verdwenen. Sinds 2005 broeden er weer Middelste Bonte Spechten. Dit kan volgens De Bruijn niet los worden gezien van het beleid om dood hout niet (allemaal) uit het bos te verwijderen. “Ik ben na de grote storm in 1990 direct naar Twickel gereden. De zaagploeg stond al klaar maar ik kon bewerkstelligen dat ze een paar afgeknapte bomen hebben laten staan en liggen.” Het kan best zijn dat hij, ook nu hij officieel met de VUT is, af en toe zijn gezicht in Twickel laatzien. “Intui zal ikdan altijd weten wat er moet gebeuren. Dat gevoel en die kennis heb ik kunnen ontwikkelen omdat er op Twickel door de jaren heen weinig veranderd is. Ik heb hier zo lang met de natuur in contact gestaan, dat kan bijna geen ecoloog mij nazeggen. Boven ­ dien heeft mijn werk voor Twickel mijn kijk op het beheer van natuur en landschap aanzienlijk verbreed. Daar ben ik Twickel dankbaar voor.” Martin Steenbeeke