pagina 17 zomer 1999

Stichting Twickel en Vereniging Vrienden Twickel kiezen verschillende traces Noordoostelijke Verbinding Betuwelijn door Twickel is een keuze tussen twee kwaden A1 geruime tijd worden in Twente heftige discussies gevoerd over de Noordoostelijke Verbinding Betuwelijn, de Noord- tak van de Betuwegoederenspoorlijn tussen Arnhem/Zeve- naar en Oldenzaal. Door het Duits-Nederlandse verdrag van Wamemunde en later door het Nederlandse parlement werd tot de aanleg besloten ter ontlasting van het hoofdtak Rotter- dam-Arnhem-Emmerich. Ondanks steeds grotere vraagte- kens bij de noodzaak en rentabiliteit van de hoofdtak Betu ­ welijn en zeker voor wat betreft de Noordtak wil de Nederlandse regering de aanleg van de hoofdtak en de trace- procedure voor de Noordtak voortzetten. In reacties op de trace-alternatieven komen de Stichting Twickel en de Ver ­ eniging Vrienden van Twickel tot verschillende keuzes. Het blijft echter voor wat betreft het landgoed Twickel een keuze tussen twee kwaden. Jan Bengevoord Voor de doorsnijding van Twente zijn in de Milieu Effect Rapportage meerdere alternatieven voor de Noord ­ tak onderzocht: een nieuwe spoorlijn door de Achterhoek via Enschede/Hengelo naar Oldenzaal (het E-altematief), een opwaardering van de bestaande spoorlijn Zutphen- Hengelo-Oldenzaal (het D-alternatief) en een nieuwe spoorlijn langs de Al-autosnelweg (het F-altematief). Voor al deze alternatieven zijn weer locale varianten onderzocht, met name waar het gaat om de passage van het stedelijk gebied Hengelo/Enschede. Inmiddels is duidelijk dat om meerdere redenen de bestaande spoorlijn Zutphen-Lochem-Goor-Delden-Hen- gelo hoge ogen gooit. Daarbij is het landgoed Twickel direct in het geding. Weliswaar wordt de Noordtak over de bestaande spoorlijn aangelegd, maar de effecten op de omgeving zullen veel groter zijn dan het huidige -beperk- te- personentreinverkeer. Bovendien wordt van verschil ­ lende kanten aangedrongen op de mogelijkheid om de Noordtak-goederenspoorlijn ook geschikt te maken perso- nenvervoer met hogesnelheidstreinen. Natuur- en milieuorganisaties plaatsen vraagtekens bij Noordtak In een gezamenlijke inspraakreactie op de Trajectnota/Milieueffectrapportage Noordoostelijke verbinding plaatsen de natuur- en milieuorganisatie in Gelderland en Overijssel grote vraagtekens bij het milieueffect van een nieuwe goe- derenspoorlijn tussen Arnhem en Oldenzaal. De organisaties zijn voorstander van een verschuiving van goederenver- voer van wegtransport naar vervoer over rail en water. Deze verschuiving kan naar het oordeel van de organisaties alleen maar worden bereikt als een aanvullend goederenbeleid wordt ontwikkeld in het kader van het Nationaal Verkeer- en Vervoerplan. Daarbij is de aanleg van een Noordtak op zich ontoereikend. Om het vervoer over de weg daadwerkelijk te vermin- deren, moet het relatief goedkope wegtransport worden belast met flinke heffingen. Bijvoorbeeld door verhoging van brandstofkosten of wegenbelasting. Al eerder kwam de Commissie Hermans, doorde regering aangesteld om de ren ­ tabiliteit van de Betuwelijn te onderzoeken, tot soortgelijke conclusies. Voorwaarde voor de aanleg is tevens dat een Noordtak bijdraagt aan een verbetering van milieu, natuur, landschap en een leefbare omgeving. Daarover bestaat echter bij de organisaties, de Gelderse Milieufederatie, Natuur en Milieu Overijssel, Vereniging Natuurmonumenten, Geldersch Landschap, Landschap en Natuur Overijssel, Staatsbosbeheer Flevoland, Overijssel en Gelderland, Gelders Particulier Grondbezit en Overijssels Particulier Bosbezit, grote bezorgd- heid. Onnodig noemen de organisaties het streven om de snelheid op de gehele Noordtak vast te stellen op 200 kilometer per uur. Dit leidt tot het ontwerpen van ruime bochten, die een aantasting betekenen van natuur, landschap en leefbaar- heid. Volgens de organisaties kan worden volstaan met een maximumsnelheid voor goederentreinen van 120 kilome ­ ter per uur op het D-alternatief (Zutphen-Lochem-Goor-Delden-Hengelo) en op het F-alternatief (vanaf Deventer langs de Al-autosnelweg). Voor de periode dat de hoofdtak Betuwelijn gereed is maar de Noordtak nog niet, willen de organisaties een maxi ­ mum voor het aantal goederentreinen vastleggen dat van de bestaande spoorlijn van Arnhem naar Oldenzaal gebruikt mag maken. Volgens de natuur- en milieuorganisaties mogen dat in deze interim-periode maximaal 25 treinen per etmaal zijn. Voor de inpassing van de Noordtak, zowel over nieuw als bestaand spoor, moet het karakter van de omgeving het uit- gangspunt zijn. Dit moet ook gelden voor plaatsen van grote landschappelijke, ecologische of milieutechnische knel- punten. Er moet volgens de organisaties voldoende geld beschikbaar zijn voor optimale landschappelijke inpassing. J.B.