pagina 17 zomer 1993

Herinneringen van ’Zesender’ aan landgoed Twickel Oberforster Michel maakte met oehoe jacht op kraaien In het voorjaar heeft zich geruime tijd een oehoe opge- houden in de omgeving van Delden. Het is de grootste voorkomende uilesoort van West Europa. Als we naar zijn prooidieren kijken, o.a. haas, fazant en reekalf, weten we meteen, dat we met een vrij forse vogel van doen hebben. 60-75 cm. grootte en zo op het eerste ge- zicht een sterk uit de kluiten gewassen ransuil met de- zelfde kleur ogen nl. oranje. Paul Schneider* Ook een uil met ’oren’, wat in feite geen oren zijn, maar bevedering, die op oren lijken, want zijn echte oren zitten op een andere plaats. In vroeger jaren broedvogel in Nederland, maar hij komt de laatste jaren toch weer wat meer in beeld. Door herintroductieprojecten in Duitsland, die daar de laatste jaren met succes hebben plaatsgevonden onder auspicien van natuurbeschermers en jagers komt deze machtige uilensoort steeds dichter naar onze landsgrenzen. Wandeling Hoogstwaarschijnlijk was dit exemplaar, wat een aantal maanden in Twente huisde daar ook van af- komstig. Er zijn de laatste jaren ook al broedgevallen in de Belgische Ardennen gesignaleerd. Aan dit alles moest ik onlangs onwillekeurig denken, toen ik met mijn vrouw in de lange laan Hep, die uitkomt recht tegenover het bekende kasteel Twickel te Delden, de geboorteplaats van mijn vader. Het laatste halfjaar van de oorlog heb ik, omdat we in Hengelo waren uitgebombardeerd, daar ook door- gebracht. Een bijkomende interessant historisch de ­ tail was, dat kasteel Twickel begin ’45 nog verblijf- plaats is geweest van Dr. Arthur Seijs-Inquart, verra- der van Oostenrijk, later Rijkscommissaris van bezet Nederland. Enkele maanden later was hij weer terug op het landgoed ’’Twickel”; nu als gevangene van het Canadese bevrijdingsleger, om in 1946 te worden opgehangen te Neurenberg. En omdat ik toen in ’44-’45 vaak samen met mijn broer te voet melk moest gaan halen bij de her en der in de omgeving lig- gende boerderijen, ken ik nog iedere stek. Indruk vijftig jaar is geweest. Deze man met een schitterende snor en zijn Duitse jachtuniform maakte op ons, toen jongens van een jaar of vijftien, grote indruk. Daarom waren wij natuurlijk dubbel trots, wanneer wij kans hadden gezien om tijdens onze melkexpedi- ties met wild thuis te komen. In die tijd, 1944, werd er natuurlijk niet meer gejaagd, alleen nog door de bezetter. De hond van mijn oom Frans, een ruwhari- ge Duitse Staande, vergezelde ons natuurlijk iedere dag en was feilloos in het aanwijzen van de plaatsen, waar zich wild bevond. En wij moesten dan maar zien, hetzij met een stok of de blote handen of met onze jas het wild te verschalken wat natuurlijk niet altijd lukte. Oehoe Gezien het feit, dat wij in die tijd met zeventien eva ­ cuees in een huis waren ondergebracht, was een stuk wild heel welkom. Scholen waren in die tijd gesloten, dus wij hadden alle tijd onderweg. En wanneer het had gesneeuwd duurde onze tocht eens zo lang, want dan viel er veel te speuren en myxomatose bestond toen gelukkig nog niet, dus konijnen waren er in overvloed. Gesnapt door de koddebeier zijn we nooit, maar het was soms kantje boord. Diezelfde Michel was reeds ver voor de Eerste We- reldoorlog in het bezit van een levende oehoe, die ge- bruikt werd bij de jacht op kraaien en in die tijd ook op roofvogels, zelfs vis- en zeearenden zijn er mee be- machtigd. Kraaienhutten Op diverse plaatsen in de wijde omgeving van het kasteel waren zgn. kraaienhutten ingericht, half inge- graven onderkomens van waaruit kraaien werden ge- schoten. De oehoe werd onder de arm of in een korf op de fiets meegenomen en op een zgn. kruk ge- plaatst en aan een lange lijn, die met een leren riem- pje aan een van de poten was bevestigd. Iedere uil, die zich overdag vertoont trekt de aan- dacht van allerlei vogels, zeker zo’n grote als een oe ­ hoe, die boven op een hoge paal zit. Met name roofvogels ziet hij al van heinde en verre aankomen, zelfs ver buiten het menselijke gezichtsveld. Samenspel In die lange laan bevond zich ook het jachthuis van de Duitsland afkomstige Oberforster Michel, die om- streeks de eeuwwisseling voor jacht- en bosbouwza- ken in dienst van ’’Twickel” trad en dat meer dan Aan de gedragingen van de oehoe kon je duidelijk zien, dat er wat op komst was. Gebruikmaken van het veel beter zien van een vogel dan de mens, paste in vroeger tijden de valkenvanger toe door gebruik te maken van een klapekster (een klauwierensoort).