pagina 17 winter 1994

Jaarlijks vinden tellingen plaats De regels voor het beheer van reewild Het parkachtige landschap van het landgoed Twickel is bij uitstek geschikt om als verblijfplaats te dienen voor reewild. Het ree is een fijnproever wat voedsel betreft en zal met zijn smalle bekje datgene pakken wat hij lekker vindt. De voed- selkeuze van het ree is een van de redenen, waarom het ree zich bij voorkeur ophoudt bij bosranden. Na het voedselzoe- ken kan het ree zich dan terugtrekken in het bos om zijn voed ­ sel in alle rust te kunnen herkauwen. Joop Schoonderbeek B ij onderzoek naar reeen bleek steeds weer, dat er alleen van goed reewildbeheer sprake kan zijn, wanneer dit beheer wordt uitgevoerd over grotere oppervlakten met een groter aantal dieren. Door de overheid werd deze vorm grond te krijgen moest het bestuur een aantal zaken op een rij zien te krijgen. Inventarisatie Als eerste werd in de gebieden, waar reewild aanwezig is een biotoop inventarisatie uitgevoerd. Doel van de inventarisatie: waar is voedsel, rust en dekking te vinden en in welke hoeveelheden en hoeveel dieren kunnen er dan verblijven. Op deze manier werd de draagkracht voor ree ­ wild in het werkgebied van de WBE Twickel vastgesteld. De volgende inventarisatie die jaarlijks wordt uitge ­ voerd is het tellen van reeen in het gebied van de WBE. Deze tellingen worden volgens een bepaalde methode toe- gepast. Het werkgebied van de WBE wordt verdeeld in tel- vakken. In maart/april van ieder jaar wordt door telploegen op een avond, een morgen en een avond geteld. In de vroege ochtend. van reewildbeheer gestimuleerd door de vergunning voor afschot van reewild alleen te verlenen aan samenwerkings- verbanden (lees WBE’s) van jagers op minstens 5000 ha. terrein. De WBE Twickel voldoet aan deze oppervlakte norm. Om het reewildbeheer binnen de WBE Twickel van de In de 5 jaar, dat er reewild wordt geteld, is een goed inzicht verkregen in de grootte van de reewildpopulatie. Zo zijn er in 1994 75 volwassen reebokken, 47 volwassen ree- geiten, 160 bokkalveren en 54 geitkalveren geteld en 52 reeen die niet op hun geslacht konden worden beoordeeld.