pagina 19 lente 2003

m H t M Carel George van WassenaerObdam. Portretdoor J. Palthe, 1765. Foto: HuisarchiefTwickel. plein een toenemend aantal mannen te verzamelen, die zich met stokken hebben bewapend. Tegen 2 uur is de menigte aangegroeid tot zeker 400 man, zo schatten de regenten, waar- onder velen uit andere dorpen, maar ook ‘vele van onze geschikste inge- zetenen die door die ruwe gemeente genoodzaakt waren met hun [mee] te gaan’. Het is duidelijk dat het samen- gedromde volk grote bezwaren heeft tegen zowel de loting als de wapen- oefening, dat sommigen ruim hebben ingenomen en ook leidt het geen twijfel waar, politiek gezien, hun sympathie ligt: ‘Gerrit van Beeveren is dronken zijnde na Huys gebragt door zijn zuster en nog een vrouws- persoon roepende hij gestadig Oranje boven’ en ‘Dirk Mulder jr. heeft dronken zijnde met zwaare vloeken en ‘t opsteeken van zijn vuyst be- dreigingen teegen ‘t huys van den Bailliuw gedaan, is daar in door Kees Jan verhinderd, en heeft insgelijks Oranje boven geroepen’ De regenten blazen de loting af, waarop de menigte reageert met een ‘eenparig geschreeuw van ‘Hoezee’ onder ‘t zwaayen van de hoeden’ en ‘terstond allengskens zijn begonnen te vertrekken’. De regenten zijn opge- lucht, daarbij ‘god dankende dat zulks zonder verdere onheilen is afgeloo- pen’. Maar een nasleep zou het nog wel hebben: de baljuw zal een grondig onderzoek instellen om te achterhalen wie de belangrijkste opstokers zijn geweest. Spijt Berouw komt na de zonde. Zo was het ook na het oproer van 25 januari 1785. Carel George van Wassenaer Obdam had alle reden zich zorgen te maken over de gevolgen voor zijn onderdanen. A1 snel had hij daarom het plan bedacht om de ingezetenen van Wassenaar een request te laten richten aan ‘onze Wettige Hooge Overheid de Heeren Staaten’ om hen ‘voor alle kwade gevolgen te be- vrijden’. In dat request zouden zij ‘ootmoedig hun misdaad van onge- hoorzaamheid’ moeten erkennen en ‘deswegens vergeeving’ moeten vragen. Als bemiddelaar voor de uitvoering van dit plan wordt de pastoor inge- schakeld, aan wie de graaf vier namen noemt van vermeende ‘berokkenaars en aanstokers’, onder wie Jan van der Mark. Als de pastoor het viertal voor een gesprek uitnodigt, zeggen er drie zich onschuldig te achten en nummer vier, Jan van der Mark, komt niet opdagen. Na enkele dagen blijkt een van de drie zich te hebben bedacht op het verzoek van de graaf in te gaan omdat, zo zegt hij, als hij zou rond- gaan om het request te doen tekenen, hij ‘geen dag van zijn leeven zig konde verzekeren’ en ‘dat zijn huis onder den voet zoude gehaald worden Amnestie Dat het genoemde viertal het toch een tikkeltje benauwd heeft gekregen kan worden afgeleid uit het feit dat zij zich op 12 maart bij de baljuw komen aanmelden om ‘vrijwillig te exer- ceeren’, omdat zij – heimelijk – hoop- ten dat ‘zulks tot hunne ontlasting zoude konnen strekken’. Maar ver- moedelijk voelden niet alleen zij zich ongemakkelijk, want uiteindelijk komt de graaf toch tot het door hem gewenste resultaat. Dat blijkt uit de publicatie van de Staten van Holland van 9 juni 1785. Hierin wordt vermeld dat Carel George van Wassenaer Obdam, als baanderheer van Wassenaar en Zuidwijk, een request van een groot aantal ingezetenen heeft ontvangen om bij de Staten te willen bepleiten, hen het gebeurde van 25 januari 1785 te vergeven. Aan de inge ­ zetenen wordt een algemene amnestie verleend, ‘met uitzondering van Jan van van der Mark, [en] Jan Landweer, tuinman op Hoogwoude, en verders die geene welke de hoofdoorzaken en aller voomaamste instigateurs zijn geweest van ‘t geene ten voorszegde dage [25 jan.] is voorgevalllen’. Eerstgenoemde is dan al gedetineerd in de Gevangenpoort in Den Haag; Landweer blijkt later te zijn ver- bannen voor altoos en ‘met pak en zak’tezijn ‘heengegaan’. Marry Niphuis-Nell Bron: Gemeentearchief Wassenaar, M. van Bussel-Eijlanderen R.C. Hoi, Invert laris van de oude archieven (tot 1895) van de gemeente Wassenaar. Wassenaar, 1977. inv.nrs 9 en 681.