pagina 17 herfst 1996

gebouwd met links en rechts tegen de molen de schuren. Op de werkvloer ligt in eerste instantie een slede en dus een zaagraam. Het geheel staat op teerlingen. Tussen Oelerbeek en molenbedrijf komt de vernieuwde en vergro- te kolk waar de te verzagen boomstammen in drijven. Via de houten sleephelling (nu beton en nog aanwezig) worden de stammen uit het water getrokken met behulp van het gaande werk van de molen. Ter hoogte van de lege zolder wordt de molen verder opgebouwd als achtkantige boven- kruier en voorzien van een stelling. De basis van deze con- structie is gedeeltelijk nog in de binnenkant van de molen te bewonderen. Bij elke zaagbeweging moet de te zagen boomstam weer tegen de zaag worden aangedrukt. Hiervoor had men een ingenieus apparaat ontwikkeld genaamd het krabbel- werk. Het oude krabbelwerk -mogelijk het eerste- is in de molen nog voorhanden en in uitstekende staat. Gelijktijdig met het vernieuwen van de molen wordt nu de zogenaamde lege zolder benut voor het plaatsen van een of twee pelstenen. Deze stenen waren groter dan de voor graan gebruike- lijke omdat er niet gemaald maar gepeld moest worden. Dit is het verwijderen van het dunne bastje om de korrel. Op de molen van Twickel, evenals op die van Rijssen pelde men voor de boeren en burgers de gerst. De verkregen gort werd als dagelijks eten pas in de 19e eeuw verdrongen door de aardappel. In de loop der jaren werd de molen uitgebreid met een tweede en derde zaagraam. Het bedrijf floreerde uitste- kend wat ook moge blijken uit de bouw van een “knegts- woninge” eind 1792. In 1797 trad Twickels timmermansbaas J. ten Zeldam als nieuwe molenbaas aan. Tot 1871 zullen Ten Zeldams het bewind voeren over het molencomplex. De laatste, G. ten Zeldam, verkoopt in november 1871, de werktuigen en gereedschappen voor 200 gulden aan zijn 65-jarige opvol- ger Johan Caspar Gurck en vertrekt naar Deventer. Gurck, geboren in Zaandam op 28 februari 1806, kwam in 1829 als molenaarsknecht bij Carel Jacob ten Zeldam. Op 20 december 1869 ontving de molenaarsknecht van de Maatschappij tot ’t Nut van ’t Algemeen de zilveren medaille voorbeproefde trouw wegens 40-jarig dienstver- band. Hij overlijdt in 1884 en heeft dus nog dertien jaar de molen kunnen “bestieren”. Van wind naar stoom De eerste stoommachines werden in Twente toegepast in het midden van de 19e eeuw. Tot het begin van de 20e eeuw was het de krachtbron bij uitstek. Dit werd ook opge- merkt door de jonge jonker van Twickel, C.G.U.W. van Heeckeren van Wassenaer. Zijn rentmeester W.H. Wilterdink kreeg opdracht om samen met molenbaas Gurck de mogelijkheden te onderzoeken om van wind- energie over te gaan naar het wonder uit die tijd, de stoom- machine. Op 8 november 1880 is er een orienterend gesprek tus ­ sen rentmeester Wilterdink en molenmaker F. ten Zijthoff uit Deventer. De molenmaker heeft veel ervaring met het inrichten van molens die met stoom worden gedreven. Tijdens het gesprek blijkt dat er belangrijke reparaties ver- richt moeten worden om de windmolen te behouden. De kosten bedragen niet minder dan 1000 gulden. De afbraak van de kap tot aan de stelling komt op 500 gulden. Het onderhoud van de windmolen, die op dat moment in zeer slechte staat verkeert, gaat veel geld kosten. Een reden te meer om nu het windsysteem vaarwel te zeggen. Ten Zijthoff adviseert om op korte termijn wieken en stelling af te breken en ter hoogte van de stelling het geheel af te dekken met een achtkantige koepel. Vervolgens komt er een machinekamer tegen de molen aan de kant van het woonhuis. De hierin opgestelde stoomaandrij ving heeft 12 a 14 pk. Van de 3 zaagramen worden er 2 behouden en voor het 3e zaagraam plaatst hij een cirkelzaag. De rentmeester ontvangt een plan en begroting voor de bouw van een machinekamer en ketelhuis met schoorsteen exclusief stoom-inrichting. De kosten komen op 10.000 gulden. De rentmeester overlegt schriftelijk met de jonker “De groote vraag zal nu zijn of Gurck durft aannemen zoo veel pacht te betalen als UHW Geb. moet hebben om boven de tegenwoordige 6 procent rente van de stoom-inrichting te maken. Ik zal hem en zijn zoon te zamen er eens over ondervragen”. Het plan maakt gewag van een gebruikte stoommachi- ne van 13 pk, slaglengte 75 cm en een cilinder diameter van 28 cm. De stoomketel van het type Cornwall, is nieuw en heeft een verwarmend oppervlak van 20 m2 bij 5 ato over- druk. De kosten hiervan bedragen 6180 gulden. Wil Twickel ook een nieuwe stoommachine dan komt er nog eens 850 gulden bij. Op 14 april 1881 ontvangt Gurck een aanbieding van de firma Ledeboer uit Borne. Zij offreren een liggende stoom ­ machine met variabele expansie van het systeem Meyer -ST..i.i..;. T—. Vj.. Bouwtekening voor de bouw van een machinekamer en ketelhuis, ca. 1880. Huisarchief Twickel, inv.nr. 5815. Foto: J. Mulder.