pagina 16 herfst 1996

Silhouet-portret van Jan ten Zeldam, alias Jan Baas, 1753 -1833. Deze bekende Twickeler figuur dankte zijn bijnaam aan het feit dat hij alom gezag afdwong. In 1780 kreeg hij in defunctie van bouwmeestersbaas, de leiding over de timmermanswerkplaats. Na zijn huwelijk in 1797 met Anna Spoolder werd hij eveneens bedrijfsleider van de Twickelse zaag- en pelmolen. Het jonge paar vestigde zich in het huis tegenover de zaag- molen. Ten Zeldam werd opgevolgd door zijn zoon Corel Jacob (1825)en zijn kleinzoon Gerrit (1863). HuisarchiefTwickel, inv.nr. 2543/58. Foto: J. Mulder. Oelerbeek al een bescheiden wind-houtzaagmolen gestaan. Dit blijkt uit de akte van aanstelling van zaagmo- lenbaas Johannes Janszoon Prins, gedateerd 20 april 1771. In deze acte wordt onder meer vermeld: “dat wij op en over onzen NIEUW gemaakt wordende Zaagmolen aan- stellen een bequaam persoon tot boekhouder en bestierder van al het werk”. In deze akte is ook sprake van een pel- werk. De nieuwe zaagmolenbaas ontvangt een jaarlijkse wedde van 550 gulden met een aantal voordelen zoals “Vrij Huis, Vrij Brandt, Vrij Pijpen toebak, Sterken drank, zoo verre zulks ten dienste van de Moolen en niet van de Negotie benoodigt is”. Er was ook een regeling voor zijn vrouw na zijn overlijden “verbinden wij ons aan dezelfs na te latene Weduwe een somma van twee duizent guldens. Na de voornoemde vijf jaar een somma van duizent gul ­ dens als zijn weduwe na Frieslant kere, doch alhier blijven wonen een somma van vijfhondert gulden”. In 1777 maakt Prins samen met rentmeester Gerhard Wolter Westerloo een nieuwe instructie voor de Zaagmolenbaas. Hierdoor kunnen we tot in detail de gang van zaken volgen. Nieuwe Zaagmolen Kortvoor 1771 werd de zaagmolen gebouwdmede door dekomst van de Twickelervaart. Het huisarchief Twickel bewaart tot op heden het geheim wie de ontwerper en bou- wer is geweest. Veelal werden bestaande bouwtekeningen gebruikt. bijvoorbeeld uit het nog altijd bekende en gezochte molen- makersboek het “Groot Volkomen Moolenboek; of Nauwkeurig Ontwerp van allerhande tot nog toe bekende Soorten van Moolens” uit 1734. Bewijzen dat een gebruikte molen werd gekocht in Noord-Holland, zoals in 1752 de Pelmolen te Rijssen, ont- breken. Dat er onderdelen van elders werden gehaald was in die tijd normaal. De houten onderdelen voor de hoofd- constructie kwamen ongetwijfeld uit de naburige Twickelse bossen. De molenromp wordt tot de lege zolder als een vierkant Houtzaagmolens Windmolens hebben in ons land een grote rol gespeeld. In de 17e en 18e eeuw ontwikkelde zich deze bedrijfstak langs de Zaan tot een waar industrielandschap. De Zaanstreek was dan ook het molenland bij uitstek. Het bekende lied- je “En dan gaan wij met z’n alien naar de Zaan, waar de wieken van de molens lustig gaan”, spreekt boekdelen. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat in deze streek, omstreeks 1594, de eerste houtzaagmolen door Comelis Comeliszoon te Uitgeest werd ontworpen en gebouwd. In 1596 werd de molen op een vlot over het water naar Zaandam getrokken voor een nieuw leven. De molen onderging daar een aantal verbeteringen en werkte met twee of drie zagen. Omstreeks 1600 werd de eerste paltrok-houtzaagmolen gebouwd. Bij dit type is de gehele molen draaibaar. Later ging men er toe over om zware, eerst zeskantige, later achtkantige molens te bouwen die voorzien werden van een draaibare kap, de bovenkruier. In de houtzaagmolens zijn de belangrijkste onderdelen de zaagramen op de zaaggrond of zaagvloer. Deze werk- vloer rust gewoonlijk op teerlingen die 125 cm hoog zijn. Deze hoogte is nodig omdat de zaagramen met het onder- spanhoofd onder de werkvloer uitkomen. Bovendien moest er veel ruimte zijn om het zaagsel te kunnen opvangen en later af te voeren. Aan de buitenkant van de werkvloer zit de sleephelling vast waarover de boomstammen vanuit het water in de molen worden getrokken. De eerste of tussenverdieping is de raamzolder van de molen. Vervolgens komen we op de zogenaamde lege zol ­ der die tevens toegang biedt tot de stelling. Van hieruit bereiken we de krukzolder waar de krukas ligt voor de aandrij- ving van de zaagramen. De bovenste verdieping is de kapzolder. In deze ruimte is het wiekenkruis gevat in de bovenas met bovenwiel. Het bovenwiel laat de koningsas draaien met bonkelaar. De bonkelaar laat de krukas draaien.