pagina 16 herfst 1995

Ooit geliefd adres uoor fameuze flensjes en spekpannekoeken Over de Drost van Twenthe, het Witte Paard en de Postiljon van Longjumeau in Delden Op 21 mei 1836 verschenen voor Gerhard ter Horst, open- baar notaris in het kanton Delden, de metselaar Frederik Coenraad Bosch en de hoogwelgeboren heer Jacob Derk Carel van Heeckeren van Twickel. Bosch verklaarde aan laatstgenoemde een huis en erf te verkopen aan de straatweg van Delden naar Hengelo. Van Heeckeren kocht hiermee voor een bedrag van zeventienhonderd guldens een „voor eenige jaren geheel nieuw gebouwd huis”. Over heden en verleden van dit pand, nu bekend als „In den Drost van Twenthe” gaat dit tweede artikel in de serie over Twickel-uit- spanningen. Aafke Brunt Jan Bengevoord Na de aankoop in 1836 werd het pand verhuurd aan Gerrit Jan Nijland. Deze Nijland was de oprichter van het eerste horecabedrijf. Hoewel in het met hem afgesloten huurcontract geen bepalingen zijn opgenomen over het tappen van bier of het verstrekken van andere dranken, is het waarschijnlijk dat hij al spoedig als herbergier bekend stond. Op 24 november 1836, nog geen twee weken na het tekenen van het eerste contract, trouwde hij met Frederika Aleida van Heek, dochter van de brouwer Herbertus van Heek, bierbrouwer gevestigd in de de herberg De Engel aan de Langestraat in Delden. De invloed van de schoonfamilie zal wel niet lang op zich hebben laten wachten. In 1850 bestaatde herberg offi- cieel. Uit dat jaar dateert de eerste tapvergunning, die te vinden is in het archief van stad Delden. Het is dan bepaald niet het enige adres waar getapt kon worden. Nijland’s col- lega’s – er zijn er minstens vijftien – zijn onder meer te vin ­ den in de Engel, de Zevenster, de Zwarte Arend, het Wapen van Zwolle, de Halve Maan, de Kroon, ’t Roode Hert, de Zwaan en het Schaap. Witte Paard Via Gerrit Jan Bannink, kastelein uit Borculo, gehuwd met Gerritdina Schonevelt, weduwe van Jan Hendrik van Heek, en huurder in de periode 1865 -1892, gaat het bedrijf over naar Bemardus Gerardus Colenbrander. Met het aan- treden op 1 november 1892 van Colenbrander wordt het pand in het pachtcontract voor het eerst omschreven als logement. Op dat moment verschijnt ook voor het eerst de naam: „De Drost van Twenthe”. Later wordt dit uitgebreid tot „In den Drost van Twenthe”. Een post in de Twickelse rentmeestersrekeningen van 29 juni 1893 meldt de komst van de schilder R.J. Voermans uit Zutphen „voor het schilderen van de stal- deuren van de Drost van Twente en de Markerichter van Weddehoen en Cottwich”. Het resultaat, een schilderstuk van een ruiter op een wit paard, inspireerde de bezoekers al weldra tot de populaire naam: het Witte Paard. Postiljon van Longjumeau Al snel werd de man op het witte paard geassocieerd met de oude postweg die van Amsterdam naar Hannover liep, wat tot gevolg had, dat het bedrijf de status verkreeg van een eeuwenoud logement. De Twentse historicus Van Deinse zette deze zaak recht om meteen met een nieuwe verklaring te komen. Volgens overlevering zou de eige- naar van Twickel (J.D.C. van Heeckeren overleden in 1875) omstreeks het midden der vorige eeuw de schilde- ring hebben laten aanbrengen, omdat hij ergens in het bui- tenland met groot genoegen een opvoering had bijge- woond van de opera „De Postiljon van Longjumeau”. Dit is best mogelijk. De Franse componist Charles Adolphe Adam veroorzaakte in 1836 toen hij de opera schreef een ware rage. De opera werd overal in Europa ver- toond. En aangezien de baron van Twickel beslist deel uit- maakte van het uitgaansleven, zal de opvoering hem niet ontgaan zijn. Het schilderwerk in 1893 zou dan een over- schildering kunnen zijn. De kosten die het project met zich meebracht, de overkomst uit Zutphen van een kunstschil- der met daarbij nog logieskosten, doen echter eerder ver- onderstellen dat de opdracht afkomstig was van R.F. van Heeckeren van Wassenaer, de zoon J.D.C. van Heeckeren. Van Deinse geeft een uitvoerige beschrijving van de intrige. Het gaat kort gezegd hierom: de ontdekking van de postiljon van Longjumeau als begaafd tenor tijdens zijn eigen bruiloftsfeest leidt kort daama tot een scheiding met zijn jonge echtgenote, die de dochter is van een herbergier. Dankzij de erfenis van een tante komt de jonge vrouw er spoedig weer bovenop en zet zij haar bestaan voort als madame De Latour. In deze vermomming komt zij weer in contact met de postiljon, die na vele muzikale intermez ­ zo’ s met haar „hertrouwt”. De Drost van Twenthe, ansichtkaart ca. 1920.