pagina 15 zomer 1995

INSTRUCTIE V O O R D E ZAKKE-DRAGERS .VAN DE BRANDSPUYT op TWICKEL. anneer ten tyde van Brand , de Brandfpuyt uit het Spuythuys werd gehaald, zuilen de Zakkedragers, de eene van de Spuyt, en de andere van den Aanjager, hunne Gereedfchap-Zakken van de Spuyt afneemen, en op de Schouder hangen, en by den Aanjager of Zuyg- pomp meede gaan. Den Aanjager, of de Zuyg-pomp, en het Kiftje met de Linde Slang aan’t Water nedergezet zynde, zuilen de Twee Zakkedragers het Kiftje met de Linde Slang opneemen, de Slang tot voor aan de Spuyt toe uitloopen, en ten fpoedigften aan het Inloop-end van de Spuyt vaft maken; en het Kiftje met de overgebleevene Slangen ftellen onder bewaaring van een van de Add- ftenten of Piekeniers. Geduurende dat de Spuyt aan de gang is, zuilen de Zakkedragers zig voor* namelyk moeten ophouden, de eene by de Spuyt, en de andere by den Aan ­ jager , nu en dan langs de Linde Slang elkander tot op de helfc te gemoete gaande, om te zien of’ereenig Lek is; en iets ontdekkende, zulks aanftonds met Leers Lappen bewoelen en digt maken. De Spuyt gebruikt zynde, zuilen de Zakke-dragers zoo veele Lasfen van de Koppelbanden in de Linde Slang los maken, als nodig zal zyn tot het Uitloopen van het Water; en vervolgens zorge dragen, dat by het weghan- gen van de Gereedfchap-Zakken(fan de Spuyt, de Gereedfchappen Compleec, en in order, in de Zakken zyn, cn de nodigo Wocltouwen op hunne Hout- jes zyn gewonden. De slangen worden bij „zeer warme zonneschijn” 2 a 3 uur opgehangen naar het zuidoosten. Het oude „smeer” zal dan in de slangen gaan smelten. Ondertussen maakt men het nieuwe „geprepareerde smeer uit de fabriek in een aar- denpot” zo warm dat men nauwelijks „de hand daarin vee- len kan”, en wrijft het vervolgens met een „wollen of Bombazijne lap” langs en in de slang. Als de slangen erg droog warne, werd dit inwrij ven meerdere keren herhaald. Het „fabriekssmeer” was een jaar houdbaar en 2 a 3 liter kostte fl,40. Ook de leren brandemmers voorzien van de initialen VW (Van Wassenaer) werden regelmatig met dit „smeer” bewerkt. Een van deze emmers, er zijn er minstens 50 geweest, is onlangs gerepareerd. De brandspuit die in het Instructieboek wordt genoemd is vijftien jaar geleden grondig gerestaureerd en geniet van een welverdiende rust. Brandreglement De zoon van Unico Wilhelm, Carel George, meer bekend van de aanleg van de Twickelervaart, liet in 1790 een Reglement opstellen „ter voorkominge van Brand, op en omtrent den Huyse Twickel; als meede op de Behandeling der Brandspuijten, Van denzelven Huyse”. Het reglement bevat 20 hoofdstukken, waaruit blijkt dat de organisatie zowel binnen als buiten Twickel perfect was geregeld. Ter ondersteuning van de hoofdstukken werden afzonderlijke instructies gemaakt voor de Commandeurs van de Zuygpomp, de Aanjager, de Spuyt en daamaast ook voor de Lantaamdrager, Pypvoerders, Leereslanggelei- INSTRUCTIE VOOR D E LANTAARN-DRAGERS VAN D E BRANDSPUYT op TWICKEL. D e Brandfpuyt uit het Brandfpuythuys gehaald werdende, om by den Brand gebragt te werden, zuilen de Lantaamdragers de Kaarsfe-busfen, door middel van de daar aan zynde Riemen, om hun Lyf vaflgespen , vervolgens de Lantaama met de daar aan zynde Stokken uit het Spuythuys meede neemen , en zig met dezelve pofteeien, Twee by de Spuyt, en Twee by den Aanjager. Wanneer de Spuyt weder in’t Spuythuys werd te rug gebragt, zullen dezelve een geheele Kaars in de Lantaarns zetteo, en de Lantaarns met de Kaarsfebuslen weder op hun plaata in’t Spuyt* huys ophangen. ders en Zakkedragers. Vooral de zakkedragers waren in de tijd van de hefboomspuit een onmisbare categorie. Zij moesten voldoende bluswater aanvoeren. Hun taak zou later, toen de motorspuit definitief in gebruik kwam, over- bodig worden. Maar voordat het zover was, waren er nog de nodige tussenfasen. De eerste ontwikkeling met betrek- king tot de watervoorziening was het aanvoeren van water met leren en later metalen blusemmmers. Het vormen van een menselijke keten vergde nogal wat mankracht. Immers, voordat er slangen waren uitgevon- den, diende de brandspuit met zijn vaste zwenkbare straal- pijp zo dicht mogelijk bij de brandhaard op gesteld te wor ­ den. Ook was er veel verspilling van bluswater. Een verbetering gaven al de grotere waterzakken welke, na gevuld te zijn met de brandemmers aan de waterkant, naar de brandspuiten werden gebracht. Hier werd het water weer met de blusemmers overge- schept in de verzamelbak van de brandspuitf. Weer later kwamen dan de aanbrenger (die het bluswater van de gracht of vijver oppompte en de aanjager (een pomp die de druk verder opvoerde richting straalpijp). De grote brandspuit werd bemand met 36 vrijwilligers die bij brand loodjes ontvingen en de commando’s moes ­ ten opvolgen van de Commandeur of Brandmeester. Na het „brand meester” moesten de „spuyten weder ter hunner plaatse gebracht syn: en de vrijwilligers dienden hun lood ­ jes weer in te leveren. Naarmate van de langdurigheid en „swaarte van de arbeid”, kregen ze vervolgens een beloning.Voor de aan ­ jager gold hetzelfde aantal vrijwilligers. Bij de zuigpomp waren het er acht.