pagina 15 winter 1994

m: uiterst links graafBentinck van Weldam en graaf Bentinck van Middachten, 4e van links pas- hel en de kloppers bij de wildwagen. een periode van onderbreking nieuw leven ingeblazen. In 1816 werd de faisanterie vervangen door een „menagerie”, die werd ingericht op de plaats van de vroegere eenden- kooi. Deze „menagerie” herbergde onder de zorgen van een „pluimgraaf’ een verzameling van verschillende vogels. Toen omstreeks 1870 bij de Breede Riet het jagers- huis Casa Nova verrees, was dit onderkomen al weer verd- wenen. In 1887 werd Casa Nova betrokken door de Engelse jachtopzichter Tom Stacey. Gelijktijdig moet op het terrein achter het huis de nieuwe faisanterie zijn verrezen. Hierin werkte Stacey samen met zijn landgenoot, de fazantenop- passer Arthur Forster. Door het uitzetten van gefokte fazanten steeg het afschot van deze soort aanmerkelijk. Nadat in 1887 slechts enkele fazanten waren geschoten, werden in 1888 al 170 fazanten geschoten en 306 in 1889. De fazanten waren niet alleen voor de eigen jacht, maar werden ook verhandeld. De faisanterie floreerde met name door de zorgen van de in 1895 aangestelde hoofdjachtopzichter Michel. In de schuur tegeno ver het huis werden de eieren uitgebroed, ter- wijl achter de schuur een fazantenweide voor de kuikens was ingericht. In de jaren dertig werd de faisanterie inge- krompen en tenslotte afgebouwd. Drijfjachten De grote jacht ging vroeger wat eerder open dan nu. Vanaf een oktober mocht er gejaagd worden op alle dieren die onder de jachtwet vielen. Er werd zowel voor de voet gejaagd als in drijfjachten. Bij de jacht voor de voet werd met name gejaagd op de toen nog talrijke patrijzen, die al vanaf September geschoten mochten worden. Tijdens de drijfjachten werd behalve op het kleine wild ook op reeen geschoten. Verhalen over de grote drijfjachten ten tijde van de laat- ste baron zijn bewaard gebleven dankzij de bosarbeider Van Coeverden en de zoon van de hoofdjachtopzichter Michel. Uit hun verhalen het volgende. Er werd meestal gejaagd in gezelschap van de zuster en zwager van de baron en hun familieleden en nazaten op Weldam, Middachten en Zuylestein. Uit Delden werden de burgemeester, de pastoor en leden van de familie Schneider gevraagd. De omvang- rijke stoet van drijvers werd gerecruteerd uit het personeel en de pachters. De jachtdagen werden zorgvuldig voorbereid. De drif- ten werden tevoren door de jachtopzichters nagegaan. De richting van de driften werd bepaald, over sloten werden planken gelegd en hekken werden opengezet. Op de dag zelf haalde een jachtwagen met twee trappe- lende paarden ervoor de gasten van het kasteel. Op de bok zaten de koetsier en de in groen uniform gestoken jager- meester. In snel tempo werd naar de eerste drift gereden, waar de jachtopzichters en de drijvers meestal al geruime tijd stonden te wachten. Het begin van de drift werd aange- kondigd met een jachthoomsignaal. Jachtkamers Tegen de middag werd steeds halt gehouden voor een overvloedig maal. Per buurtschap waren er een aantal vaste pleisterplaatsen. Werd er bijvoorbeeld in het Elbertsbos gejaagd, dan werd de maaltijd gebruikt op het erve Elbert. Op de Deldeneresch ging het gezelschap naar het erve Wanink, in Azelo ging het naar de Meijer en voor Buren en Woolde ging men naar het jagershuis Casa Nova. De gasten zochten dan de jachtkamer op, waar de tafel gedekt stond met een per rijtuig van het kasteel gearriveer- de warme maaltijd. De drijvers zaten in de schuur of buiten bij het vuur; overigens niet tot hun ongenoegen, want in eigen kring liet men zich het bier goed smaken. Tegen zonsondergang werd de jacht afgeblazen. De drij ­ vers gingen naar huis met een toeslag, terwijl dejagers wer ­ den uitgenodigd voor een diner op het kasteel. Afschot Het geschoten wild werd verzameld op de wildkar. Na afloop van de jacht leverde deze het „tableau” af in de wild- kelder, een vertrek in het voormalige „betaalkantoor” tegenover de kasteelboerderij aan de Twickelerlaan. Hier werd het wild uitgehangen en gei De aantal- len werden bijgeschreven in de jachtregisters. Vanaf het midden van de vorige eeuw zijn deze registers bewaard gebleven. Hieruit blijkt onder andere de enorme toename van de konijnenstand. Ter vergelijking: in 1895