pagina 15 lente 1998

Uitbreiding van Hengelo dreigt Woolde op te slokken De rijke historie van de Hof van Woolde Als we ons bevinden in het prachtige nog behouden deel van de vroegere marke Woolde ten oosten van de A35 en noor- delijk van de weg Hengelo-Delden, zijn we ons er waar- schijnlijk niet van bewust dat dit het gebied is met de oudste historie van Woolde. Nog liggen daar onder andere de erven Brinkhuis, Hermelink, Nijhof en Oldhof, waarvan de laatste drie deel uitmaken van het unieke landgoed Twickel. Gedurende het bestaan van het markewezen waren het gewaarde erven in de marke Woolde. G.J. Welberg Juist de bedreiging van dit gebied door stedelijke ont- wikkeling, zoals dat in het streekplan ‘Stadsgewest Twente’ wordt gepresenteerd, is reden uitdrukkelijk de zeer oude historie van deze erven onder de aandacht te brengen. Zich kennelijk bewust van de aanslag die dit plan pleegt op het Twentse landschap in het algemeen maar in het bijzonder op het landgoed Twickel, is door de plannen- makers als accent op de titel van het streekplan ‘agglolijn als ruggegraat, landschapsontwikkeling als kader’ gebruikt. Natuurlijk verdient het waardering dat men zich bewust is van de waarde van het broze Twentse landschap. Natuurlijk zullen de plannen die basis moeten zijn voor een zekere economische streekontwikkeling, elementen voor ‘landschapsontwikkeling’ moeten bevatten. Voor dit deel van Woolde is echter de term ‘landschapsbehoud’ beter op zijn plaats. De reden daarvoor is al genoemd. Kennisneming van de hierna volgende feitenvermelding van dit cultuurhistorisch erfgoed moet, indien het gebied opgeofferd zou worden aan het streekplan, achteraf tot de conclusie leiden dat cultuurbarbarisme heeft toegeslagen. Oudste vermelding Voor zover nu bekend is komt de oudste vermelding van Woolde voor in een akte uit het jaar 1266. Daarin staat dat op 20 december van dat jaar Herman van Saterslo, zeer waarschijnlijk voormalig drost van Twente (1255-1258), een boerderij in Beckum verkoopt aan de Commanderie van de Johanietenorde te Steinfurt. Uit die akte blijkt ver- der dat het erf een leengoed was van de kerk te Munster. Bij deze verkoop verklaart Herman van Saterslo tevens dat hij het erf uit de leenplicht met die kerk wil ontslaan. Als schadeloosstelling aan de kerk brengt hij daarvoor in de plaats de ‘Hof te Walde’ (Woolde) weer als leengoed aan die kerk in. In welke hoedanigheid Herman van Saterslo hier handelde blijkt niet uit de akte. Uit een andere akte van 16 december van het jaar 1337 vernemen we dat met die kerk de St. Mauritskerk ‘buiten de muren van Munster’ bedoeld is. De proost van die kerk, Fredericus de Bicken, geeft dan de ‘ambtmannij’ van de hof ‘Walde’ in leen aan Engelbert II, heer van Almelo. Deze belooft dat hij samen met zijn zoons Amoldus en Ecbertus er voor zal zorgen dat de goederen die bij de hof Walde hebben behoord en daarvan zijn ontvreemd, voor Pasen van het jaar 1339 weer bij de hof Walde zullen zijn teruggebracht. Indien deze toezegging niet binnen de gestelde termijn zal lukken zijn de heren van Almelo bereid gezamenlijk in Munster in ‘leisting’ (in gijzeling) te gaan totdat de vervreemde goederen weer bij de hof zullen horen. De hoffunctie Het bovenstaande bevat enkele belangrijke gegevens. De heer van Almelo wordt beleend met de ‘ambtmannij ’ of het rentmeesterschap van de hof van Walde. Als het begrip rentmeesterschap ter sprake komt mag je veronderstellen dat het betrekking heeft op goederen van enige omvang. En dat wordt in 1339 duidelijk gesuggereerd vanwege de ont- vreemde goederen die tot de hof behoord zouden hebben. Engelbert is zelfs bereid een datum te noemen waarop alles herenigd zal zijn en als hem dat niet tijdig lukt wil hij samen met zijn zoons daarvoor zelfs zijn persoonlijke vrijheid prijs geven. Hiermee dient zich de vraag aan wat de betekenis van een hof is en vooral wat de omvang van de hof Walde geweest is. Het antwoord op de laatste vraag is voorlopig teleurstellend. De voor de hand liggende bronnen geven daarover op een enkel geval na geen inzicht en de vraag is of dat ooit nog eens te achterhalen valt. Dat enkele geval betreft een verpachting van het erve Abbenburen in Woolde door de proost van de St. Mauritskerk te Munster in 1545. De veronderstelling dat dit erve tot het goederen- complex van de hof Walde heeft behoord is gewaagd maar misschien gerechtvaardigd. Akten uit de jaren 1324 en 1341 vermelden respectievelijk nog een rente uit het erf Gherlovinc te Wierden voor de proost van de St. Mauritskerk en de belening van het erf Lammertink te