pagina 14 lente 2003

nooit op zwart zaad gezeten. Maar het is natuurlijk duide- lijk dat wanneer we op deze wijze hadden moeten door- gaan we het landgoed op langere termijn zouden moeten ‘ope ten’.” In de eerste vier jaar van zijn bestuurslidmaatschap speelde de barones nog een belangrijke rol. “Het was voor ons als bestuur een makkie. Alle bezittingen buiten ‘Delden’ waren toen nog prive-bezit. Daar hadden we geen bemoeienis mee. Bovendien was mevrouw nog zeer actief. Ondanks haar hoge leeftijd begreep ze alles en regelde ze veel zelf in overleg met rentmeester Brunt die een groot vertrouwen genoot. Voor ons viel er weinig te beslissen. Er waren drie tot vier bestuursvergaderingen per jaar. Er viel veel minder te beslissen dan in latere tij- den. De tijd was gewoon veel rustiger.” Ook het personeelsbeleid was in die tijd nog goeddeels in handen van de barones. “Mevrouw kende iedereen. Ze had bijna dagelijks contact met de personeelsleden. Bijvoorbeeld wat betreft de werkzaamheden in de tuin. Daar zat ze met haar neus bovenop. Maar ook buiten de directe omgeving van het kasteel was ze te vinden. Was er iets in het bos dan liet ze zich er met de auto heenbrengen om de zaken te bespreken. Bovendien had ze heel veel mensenkennis. Ze wist heel goed wie ze voor welke zaken moest vragen.” In de eerste twee jaren vonden de bestuurs ­ vergaderingen plaats op het kasteel. In de laatste twee jaren kwam het bestuur bijeen in hotel Carelshaven. Na afloop kwam men dan verslag uitbrengen op het kasteel. “Lange vergaderingen waren in die periode voor mevrouw te vermoeiend.” In het laatste jaar van haar leven was de barones bedle- gerig en namen de werkzaamheden van de bestuursleden van de Stichting Twickel toe. Na haar overlijden in 1975 veranderde de situatie ingrijpend. “Toen werden ook de niet-Deldense bezittingen aan het beheer van de Stichting Twickel toegevoegd. Behalve bezittingen zoals Lage in Duitsland en Hof te Dieren in Gelderland kreeg de stich ­ ting ook het beheer over kapitaal in de vorm van effecten. Daarmee werd de financiele situatie van de stichting ver- beterd, maar we hadden nog geen idee van de totale omvang van het bezit”, aldus Van Harinxma. Na de dood van de barones werden ook bestuurs ­ vergaderingen buiten Delden gehouden. “Ik kan mij ver ­ gaderingen herinneren in Dieren en Lage. We hadden tenslotte geen idee wat het voorstelde en de bestuurs ­ vergaderingen werden dan ook gebruikt om er een kijkje te nemen. Hier werden we rondgeleid door rentmeester Brunt, die als rentmeester van de eigen goederen van mevrouw Van Heeckeren goed op de hoogte was en over- al over kon vertellen. Daarbij moet worden gezegd dat rentmeester Brunt als executeur-testamentair een groot deel van de werkzaamheden die op ons afkwamen op zich heeft genomen. Brunt genoot een groot vertrouwen van het bestuur en er was een open band. Die samenwerking tussen bestuur en rentmeester verliep probleemloos. Zo werd rentmeester Brunt na het overlijden van mevrouw ook het gezicht van Twickel.” Het aantal bestuurs ­ vergaderingen nam toe naar 9 tot 10 per jaar. De statuten van de stichting, waarin de barones het toe- komstig beheer van haar bezittingen nauwkeurig heeft vastgelegd, waren volgens Van Harinxma geen punt van discussie. ”Het was geen onderwerp van discussie, op de wijziging wat betreft de leeftijdsgrens voor bestuursleden na. Ze had bovendien vastgelegd wat er met het kasteel zou gaan gebeuren. Het zou een bewoond huis blijven, wat al door haar geregeld was. Bovendien ontstond er door de samenvoeging van de bezittingen een ruimere financiele armslag waardoor er ruimte ontstond voor onder meer onderhoud.” Het paste volgens Van Harinxma in het tijdsbeeld dat de Stichting Twickel in die periode weinig prioriteit gaf aan communicatie met de buitenwereld. “Ja, dat was het tijds ­ beeld. De verandering kwam geleidelijk. Dat keken we natuurlijk ook af van andere organisaties. Kasteel- bezoeken waren voor oprechte belangstellenden ook al in die tijd mogelijk. En ook de tuin was in bepaalde periodes toegankelijk.” Onoverbrugbare problemen waren er vol ­ gens Van Harinxma niet. “Natuurlijk waren er wel eens verschillen van mening. Zoals tussen de Stichting Twickel en de Vereniging Vrienden van Twickel. Maar dat leidde nooit tot grote problemen.” Toch moest Twickel langzaam de bakens verzetten in een tijd dat burgers mondiger werden. “Natuurlijk moest er meer rekening worden gehouden met de buitenwereld. Maar zover ik weet heeft er nooit een actiegroep bij ons op de stoep gestaan.” Het rekening houden met opvattingen buiten Twickel, zoals een grote weerstand tegen het kap- pen van bomen, heeft volgens hem ook nadelen. “Zo heb- ben we ooit gesproken over de mogelijkheid om alle bomen in de Kasteellaan te kappen met als bedoeling om er weer een allee met jonge bomen van te maken. Dat zou natuurlijk vele jaren een afschuwelijk gezicht zijn geweest, maar na 50 jaar was er weer een prachtige laan ontstaan. Ik kan mij een bestuurslid herinneren die het ‘generatie-egoi noemde toen werd besloten om het niet te doen. Daardoor is nu een laan ontstaan met jonge en heel oude bomen en dat vind ik eigenlijk geen fraai gezicht.” Van Harinxma stapte in die periode van de advocatuur over naar de rechterlijke macht. Hij werd rechter in Utrecht waarvan acht jaar rechtbankpresident. Kon hij ondanks drukke werkzaamheden wel tijd vrijmaken voor Twickel? “Ja, dat heb ik altijd gedaan. Ik heb het steeds uiterst plezierig gevonden om naast mijn werk een heel andere functie te hebben. Daardoor was ik in staat om van- uit een heel andere invalshoek naar de maatschappij te kij- ken. Ik geloof dat dit voor iedereen goed is, want anders dreig je met niks anders bezig te zijn dan met je werk. Op Twickel kwam ik met veel aspecten in de samenleving in aanraking. Dat was hoogst interessant. Zoals bijvoorbeeld planologie, personeelsbeleid, maar ook vragen rond het onderhoud van gebouwen en restauraties. Er ging telkens een wereld voor mij open.”