pagina 14 lente 2000

Roodborsttapuit, mannetje. Foto: J.A. Meijerink Watersnip Een aantal vogelsoorten prefereert ruig terrein als broedbiotoop. Bij sommige soorten, zoals de Water- snip, kan het gebied niet nat genoeg zijn. Tussen 1950 en 1965 trof ik deze vogel nog broedend aan in het Schijvenveld en in natte weilanden te Deldenerbroek. Ook ten zuiden van het Twentekanaal kon je van de bla- tende baltsvlucht genieten. Het verdwijnen bij Delden kunnen we toeschrij ven aan ontwatering en andere ver- anderingen aan de broedbiotoop. Thans broedt de Watersnip alleen nog in enkele natuurreservaten langs de Nederlands-Duitse grens. Het totale aantal broedpa- ren voor Twente wordt geschat op twintig tot dertig. Weidevogels Er zijn vogelsoorten die zich goed thuis voelen in cul- tuurland. Soorten als Patrijs, Grutto, Veldleeuwerik en Gele Kwikstaart hebben een voorkeur voor weiland. Echter door veranderd beheer, vroegere maaitijden, ontwatering en beperking van het aantal grassoorten gaat het met deze vogelsoorten niet best. De Patrijs kwam in vroeger tijden nog in grotere aantallen bij Del ­ den voor. Zo werden er omstreeks 1900 jaarlijks ruim tweehonderd vogels geschoten. Ook in de vijftiger jaren vond ik op de Esch regelmatig nesten in de hooi- landen. Gelukkig zijn er nog steeds Patrijzen, maar de aantallen zijn een stuk kleiner dan vroeger. De Grutto en de Veldleeuwerik hebben nog meer te lijden gehad van de veranderingen. In de jaren vijftig zat de lucht boven de Esch vol zingende Leeuweriken, een geluid om tegen aan te leunen. Thans ben je al blij als je een exem- plaar hoort. De Gele Kwikstaart heeft het niet overleefd. Op de Deldener Esch broedden tussen 1950 en 1960 nog diverse paartjes. Daama nam het aantal snel af en thans heb ik de soort niet meer kunnen ontdekken. In Twente is het voorkomen van deze soort nu vrijwel beperkt tot de gemeente Vriezenveen. Nachtegaal Toen ik in 1950 begon met de vogelstudie was de Nachtegaal een heel gewone soort bij Delden. Aan de Nieuwe Weg, tussen het station en de Hengelosestraat, broedden verschillende paartjes. Mijn vriend Huybert van Eck zocht deze nesten op en ringde de jonge vogels. Ook rond de watertoren en langs de spoorsloot hoorde je diverse vogels zingen. Bijna in elk bosje met ondergroei van brandnetels kon je de soort aantreffen. De afname van het aantal Nachtegalen is wat geleidelijker gegaan dan bij de andere soorten. De vogels ver- dwenen eerst uit de steden en dorpen, daar- na werd het aantal in de buitengebieden minder. Vorig jaar constateerde ik in het hele gebied tussen Rijssen en Deldener ­ broek slechts twee zingende mannetjes. Mocht U een Nachtegaal horen, luister dan vooral goed want het zou wel eens een van de laatsten bij Delden kunnen zijn. Gelukkig is het niet allemaal ellende want we hebben na 1900 ook enkele nieuwe soorten als broedvogel mogen begroeten. Meerkoet en Scholekster Na het gereedkomen van de Twentekanalen was er voor soorten als Meerkoet en Scholekster aanleiding om ook het Twickelse als broedgebied uit te kiezen. In 1927 werd het broeden van de Meerkoet in Twente slechts vastgesteld in het Mokkelengoor bij Wierden en in de Weitemanslanden bij Almelo. Thans is deze vogel algemeen op ruig begroeide kanaaloevers en op bijna alle water- en veenplassen. In 1978 telde ik gemiddeld dertien nesten per drie km. Twentekanaal. Het eerste nest van de Scholekster werd in 1937 door Schweigman in Azelo gevonden. Het bevond zich in een aardappelveld en kreeg door z’n bijzonderheid overgrote belangstelling. Mogelijk ging daardoor het legsel met twee eieren verloren. De Scholekster is nu een vrij gewone verschijning, zij het niet in grote aan ­ tallen. Turkse Tortel Deze uit Z.O.-Europa afkomstige soort werd in 1950 voor het eerst in ons land gezien. In 1954 werd het eer ­ ste geval voor Twente vastgesteld in Oldenzaal waar een paartje een jong groot bracht. In 1961 zag ik het eer ­ ste exemplaar in Delden. Thans is het een gewone broedvogel in stedelijk gebied. De indruk bestaat dat zij zich ook in het buitengebied weet uit te breiden. Zwarte Specht Deze spechtensoort werd in 1907 voor het eerst in Twente vastgesteld toen een vogel op Twickel werd waargenomen. Ook in 1908 en 1909 werd de soort daar waargenomen, terwijl Michel in 1917, tijdens een wan- deling langs de Twickelervaart, eveneens een exem ­ plaar observeerde. De Zwarte Specht had het in de beginjaren erg moeilijk in Twente. In plaats van zuinig te zijn op een nieuwe soort, werd deze meer als jacht- trofee gezien. Zo schoot jachtopziener Michel in 1937 op Twickel een vogel die thans berust in het Natuurhis- torisch Museum te Leiden (Naturalis). Schweigman telde in 1943 totaal minstens vijf paartjes op Twickel. Ook nu is deze specht hier geen zeldzame verschijning.