pagina 14 4 1998 tijdschrift

Het heideveld aan de Bentelerzijde. Foto: J.A. Meijerink, 1998. Een ander ideaal broedbiotoop vormen de kaalkappen, bij voorkeur met een zeer lichte opslag van berk of den. Deze biotopen zien we vooral op de Holterberg. Er wordt daar nogal veel gekapt en de nachtz waluw maakt dan graag gebruik van een enkele jaren oude kaalkap. Zodra de boompjes hoger worden dan ongeveer een meter, is de bio- toop minder geschikt geworden en verhuizen de vogels naar een andere kaalkap. De nachtzwalu w kan hier nog slechts broeden bij de gra ­ de van de mens die voor voldoende open terreinen kan zor- gen. Als er niets wordt gedaan, verbossen de meeste gebie- den en daarmee gaan de broedbiotopen voor de nachtzwaluw verloren. De schutkleur Op de hierbij afgedrukte foto is goed te zien hoe de vlek- tekening en de vorm van de vogels zijn aangepast aan de omgeving. Het is dan ook bijzonder moeilijk een zittende nachtzwaluw te ontdekken. In 1995 hoorde ik midden op de dag een nachtzwaluw ratelen in het Schijvenveld. Toen ik ter plekke ging kijken zag ik slechts een boomstronk met een zijtak. Minuten lang had ik de plek in de kijker totdat er bij de zijtak een oog open ging. Pas toen wist ik, dat het de ratelaar was. De vogel vertrouwde zo op z’n schutkleur dat hij pas opvloog toen ik tot op een meter naderde. Bekend is ook het verhaal van een vogelaar toen hij in het veld aan een vriend trachtte uit te leggen hoe goed de schutkleur werkte. “Kijk, dat dode stuk hout daar zou er best een kunnen zijn”. Waarop het stuk hout wegvloog, want het was er een. Broedgedrag Nesten vind je dan ook meestal bij toeval door er op te lopen. Zo vond de Deldense omitholoog H.F.A. Schweig- man in 1943 een nest met twee jongen in het Schijvenveld. Het volgende jaar trof hij een nest aan met een ei op bijna dezelfde plek. Een maand later constateerde hij op enige afstand daarvan een tweede nest met twee eieren. Het is bekend dat de nachtzwaluw de broedsels als het ware in elkaar schuift. Het mannetje verzorgt de beide jon ­ gen van het eerste broedsel terwijl het vrouwtje de eieren van het vervolglegsel bebroedt. De nachtzwaluw legt altijd twee eieren, nooit meer en nooit minder. De afstand tussen de nesten is meestal zo groot dat de jongen van het eerste broedsel niet kunnen overlopen naar het broedende vrouw ­ tje. Op deze wijze kan het paar twee broedsels grootbren- gen in het voor hen korte broedseizoen. De vogels trekken namelijk al in September weer weg. Bij gebrek aan voedsel en bij lage temperatuur kan de nachtzwaluw z’n temperatuur verlagen. De vogel verkeert dan in een verstarde toestand en spaart zo energie. Zodra de lichaamstemperatuur beneden vijftien graden Celsius is gedaald kan de vogel slechts uit deze lethargie ontwaken als de buitentemperatuur weer stijgt. Het is duidelijk dat de soort bij koude, natte zomers vaak niet aan broeden toe komt. Wellicht mede een reden van de achteruitgang bij ons. Op Twickel Het is een echte zomervogel die ’s winters in tropisch Afrika verblijft. In de maand mei kunnen we hier de eerste vogels verwachten en de “zang” komt pas eind mei goed op gang en deze is nog tot in juli te horen. Zoals gezegd is het een vogelsoort die van warmte houdt. Op mooie warme en zoele zomeravonden zijn de vogels dan ook het meest actief. Beneden achttien graden Celsius hoor je de soort nauwelijks ratelen. De snorrende “zang” bestaat namelijk uit een vaak minuten lang aangehouden ratel: “eeerrrrmT- bbrrrrrrrrrr-eerrrrrr”. Als jong omitholoog ging ik er in de jaren vijftig en zes- tig vaak in de schemering op uit om de nachtzwaluw bij Delden te beluisteren. De fietstocht begon dan bij de Bomsestraat. Het Bokdammerveld was ieder jaar goed voor een paartje nachtzwaluwen. Het was een vrij rustig heideveld dat echter gaandeweg met berken en dennen dichtgroeide. De soort is er dan ook begin jaren zestig ver- dwenen. Een ander goed nachtzwaluwengebied was in die tijd de buurtschap Azelo. De Oude Almeloseweg was toen nog niet verhard. Het Koematerveld was nog een mooi heide ­ veld en het aangrenzende Hellekaterveld was ook nog veel opener dan nu. In dit gebied huisde steeds een paartje nachtzwaluwen. De wat hogere grove dennen langs de zandweg werden dan als zangpost gebruikt. Ook deze gebieden verbosten steeds verder terwijl er in het Koema ­ terveld, langs de zandweg, een weiland werd aangelegd dat tevens als brandbuffer diende. Dat betekende voor de