pagina 13 winter 1994

Bezitter Twickel maakten volop gebruik van ‘Heerlijke Rechten’ Over de geschiedenis van de jacht op Twickel De jacht op Twickel kent en kende vele facetten. Over het verleden van de jacht valt veel te vertellen. Zo veel dat in het hieronderstaande op slechts enkele aspecten van het jachtge- beuren kon worden ingegaan. Aafke Brunt Jachtrecht Deze tendens geldt ook voor Twickel. In de jaren 1613- 1624 liet Johan van Raesfelt het jachtrecht van Twickel vastleggen als de zogenaamde privatieve jachtgerechtig- heid van het huis Twickel. Dit jachtrecht omvatte terreinen op de Deldeneresch, met name in de Breede Riet, het gebied tegenover het kasteel. De recht stond los van het eigendom van de gronden. Met medewerking van verschillende getuigen werd hiervan de begrenzing werd vastgesteld. In de Franse tijd werd het jachtrecht gekoppeld aan het eigendom van de grand, maar daama werden de „heerlijke rechten” weer in ere hersteld. Alle eigenaren van heerlijke rechten werden opgeroepen om hun oude rechten met bewijzen te staven. Zo vond in 1815 de registratie plaats van de eigen jacht onder Twickel. In het veld werd het ter ­ rain afgepaald met zandstenen palen, de zgn. jachtpalen. Toen het heerlijke jachtrecht in 1923 werd afgeschaft ver- loren deze palen hun functie. Sindsdien zijn veel palen bij wegverbetering argeloos aan de kant geschoven en verd- wenen. Gelukkig is hierin een kentering gekomen, dankzij initiatieven van de amateurhistoricus Helmig Kleerebezem. Eendenkooi In de achttiende eeu w en wellicht ook daarvoor was er op Twickel een eendenkooi. Op een oude kaart vinden we hem terug op een plek in het bos rechts naast de laan die het kas ­ teel verbindt met het jagershuis. Deze laan wordt overigens nog steeds de Kooidijk genoemd. In een koopakte van een huis aan de Dijk naar Hengelo is sprake van een kooiker. Deze man zal zich toen over de kooi hebben ontfermd. Uit de vierkante vorm van de eendenkooi op Twickel is af te leiden, dat deze kunstmatig is aangelegd. Op de hoe- ken van de vijver zijn twee sloten of vangpijpen aange- bracht. De gebogen vorm van de pijpen is noodzakelijk: zij is wat de kooikers noemen „blind” om te voorkomen dat de te vangen eenden het vangapparaat in het oog krijgen, waarin zij terecht moeten komen. De bovenkanten van de pijpen zijn afgesloten met netten of gaas. De pijp wordt naar het einde toe steeds smaller en eindigt in de, jaagkorf”. In 1783 is de kooi al verdwenen. In datjaar brengt baron Spaen van Biljoen een bezoek aan Twickel. Zijn bevindin- gen legt hij vast in reisaantekeningen, waarin hij onder meer vermeldt dat de kooi vergraven is tot een meer met in het midden een klein eiland. Faisanterie In 1798 stelde graaf Carel van Wassenaer Obdam een zeer uitgebreide instructie op voor de „phaisantier”. Dit personeelslid werd verantwoordelijk gesteld „voor alle het vee, zoo in de phaisanterie, als in het park”. Met „het vee in In Overijssel is nog lang vastgehouden aan de Germaanse rechtsovertuiging dat het wild tot ieders vrije beschikking stond. In het begin van de 17e eeuw kwam hierin pas verandering. Dan verschijnen met regelmaat placcaten, waarin het jachtrecht gereserveerd wordt voor de bezitters van de havezaten. Dit jachtrecht werd niet alleen geclaimd voor de eigen gronden, maar ook voor die van anderen die binnen de machtssfeer van de havezate lagen. Jachtpaal. Deze stond aan de weg van Delden naar Hengelo naast het voormalige cafe Het Hof van Holland. Hij moest plaats maken voor het viaduct. Foto: H.A. Kleerebezem.