pagina 13 herfst 1996

mei voortduurt. Bij ons tref je de eerste wespendieven omstreeks de eerste week van mei aan. Dit kunnen ook doortrekkers zijn die in Scandinavie broeden. Onze broedvogels zijn meestal voor eind mei in hun terri- toria aangekomen. Volgens sommige onderzoekers zouden de vogels al voor de aankomst gepaard zijn zodat ze gelijk met de nestbouw kunnen beginnen. Als ik mijn dagboekaan- tekeningen nakijk, kom ik tot het volgende overzicht: Aankomst uit winterkwartier : Eind mei Eerste ei gelegd : Eerste week j uni Eerste jong geboren : Eerste week juli Jongen uitgevlogen : Half augustus Terugtrek : Half augustus – half September In Twente zie je meestal niet veel van de wespendie- ventrek, tenzij je precies in een trekbaan waameemt. Spectaculair is dit echter bijvoorbeeld in Falsterbo, de meest zuidelijke punt van Zweden. De roofvogels verza- melen zich daar voordat ze de oversteek naar Denemarken wagen. Buizerds schroeven daar massaal op de thermiek omhoog voordat ze oversteken. Ook hier zie je weer een verschil tussen buizerd en wes- pendief. De laatste heeft sterkere vliegspieren en is blijk- baar niet bang voor de watervlakte. De wespendieven zie je daar op 20-100 meter hoogte aankomen en ze steken, zonder hoogte te winnen de zee over. Het voedsel De jonge wespendieven worden voornamelijk gevoerd met wespenlarven. De oude vogel zit soms urenlang op een tak te kijken naar de bewegingen van wespen. Als een wes- pennest is ontdekt dat zich in de grond bevindt, gaat de vogel er op af en begint te graven. Ik heb dit eens mooi kunnen bekijken in het Schijvenveld. De vogel graaft met z’npoten het nest uitter- wijl de wespen om z’n kop vliegen. De poten zien er ook wat anders uit dan bij de meeste andere roofvogels. De nagels zijn korter en platter, dus duidelijk meer voor gra ­ ven dan voor het doden van prooi ingericht. Speciale schub- achtige veertjes op de kop geven bescherming tegen wes- pensteken. Het neusgat is bij de meeste roofvogels rond of ovaal. Bij de wespendief is dit spleetvorming zodat er geen insekt in kan dringen. Naast wespenlarven vond ik als prooiresten ook jonge houtduiven en kikkers. De duiven waren nog kaal, dus de wespendief heeft ze zo van het nest gepakt. Broedgebieden De soort broedt in bijna geheel Europa behalve Noorwegen, Engeland, Ierland en IJsland. Nergens is hij echter talrijk. In Oost-Twente heb ik onder andere horsten gezien bij De Lutte, Oldenzaal, Denekamp, Losser en Volthe. Verder hebben we diverse broedgevallen in het Duitse grensgebied gehad. De wespendief kiest als broedgebied het liefst loofbos- sen of gemengde bossen. Maar enkele keren zat hij in een rij fijnsparren, grenzend aan een grove dennenbos. Als broedbomen trof ik aan de eik, beuk, spar, fijnspar, larix, grove den en els. De meeste roofvogels verraden hun broedboom door de uitwerpselen van de jongen. Een grote kring op de grond is dan witgekalkt. De jonge wespendieven laten hun uit ­ werpselen op de rand van het nest vallen en verraden daar- mee dus hun nestboom niet. De oude vogels voorzien de nestrand regelmatig van verse takken met groen blad. Het vrouwtje plukt daarvan wat bladeren en bekleedt er de nestkom mee. Broedgevallen op Twickel Na het broedgeval in 1952 heb ik de wespendief nog geregeld bij Delden gezien. Tot 1963 echter zonder een horstte vinden. In 1963 zat er een horst in het Schijvenveld met twee eieren. Door onbekende oorzaak is dit geval verstoord.