pagina 12 zomer 2009

De Franse couverts van een edelman Het kasteel Twickel herbergt talrijke waardevolle kunst- en gebruiksvoorwerpen. Voor zilverkenner Barend van Benthem is de enigszins bedompte kluis met zilver het der heiligen De oude lepels en vorken zijn “niet zo maar ‘model Haags lojje”’ Met de couverts van Twickel heb ik altijd al iets gehad. Dat kwam omdat de voorou- ders van mijn moeder, de zilversmeden Helweg in Amsterdam, ze omstreeks 1890 maakten voor de firma Begeer op bestel- ling van baron Van Heeckeren van Wasse- naer. Het was een model dat alleen voor zijn familie werd gemaakt. In 1987 zag ik deze lepels en vorken voor het eerst bij een bezoek aan Twickel. De afgelopen maanden hebben jan Paul ten Bruggencate en ik de periodieke revisie uitgevoerd van de zilvercollectie van Twickel. De verzameling bestaat uit zilveren ge ­ bruiksvoorwerpen die leden van de families Van Wassenaer en Van Heeckeren van Wassenaer over een periode van bijna 300 jaar hebben gebruikt. Het is een unieke historische verzameling met een karakter dat sterk afwijkt van de vaker voorkomen- de collecties die door een verzamelaar zijn gekocht om er een huis of kasteel mee te verfraaien (bijvoorbeeld de collecties van Huis Bergh, Singraven en’t Nijenhuis in Heino). Zo behoort tot de collectie van Twickel een geheel zilveren eettafelservies dat door verschillende zilversmeden in de jaren tachtig van de i8de eeuw is gemaakt. Het is een van de twee tafelserviezen van Nederlandse makelij uit die tijd die onver- deeld bewaard zijn gebleven. Het andere servies behoort tot het bezit van de Groot- hertog van Luxemburg. Vooral het grote aantal tafelborden van het ‘Van Wasse ­ naer servies is voor Nederland heel bij- zonder en er zijn 00k een aantal bijpas- sende kandelaars. Vroegere beheerders van Twickel hebben de voorwerpen nauwgezet geadministreerd en beschreven. Hier en daar hebben we op grond van recente literatuur dateringen en toeschrijvingen aangepast. Gezien het his ­ torische karakter van de verzameling is 00k tijd besteed aan het zo veel mogelijk vast- leggen van de herkomst van de voorwer ­ pen in de collectie: wie van de familieleden heeft ze in de loop der tijd gekocht of inge- bracht. De wapens die er op staan zeggen wat dat betreft niet alles omdat ze vaak later zijn aangebracht. Parijs Het zilver is, op wat kleinigheden na, in een prima staat. Een punt van zorg is wel dat de oorspronkelijke kisten en foedralen waar de voorwerpen in worden opgeborgen, restau- ratie behoeven. Vooral bij oudere voorwer ­ pen zijn het waardebepalende items. Er was gelegenheid de oude lepels en vor ­ ken nog eens precies te bekijken. Ze zijn nietzo maar‘model Haags lofje’, maar van een heel bijzonder model met een fraaie rand langs de buitenzijde van de bak en een ‘kraallijst’ langs de randen van de stelen die eindigen in wat de Engelsen een ‘dognose’ noemen. Dit type stelen met zo’n puntje was gangbaar in het eerste kwart van de i8de eeuw en dat klopt goed met de oudste exemplaren in de collectie, circa 30 couverts gemaakt in Parijs in de periode van keuring 1713/14. Het is nog precies vast te stellen aan de hand van wat er na driehonderd jaar poetsen is over- gebleven van de zilvermerken. De maker is niet meer met zekerheid te noemen, omdat slechts delen van het meesterteken zijn over gebleven. Mogelijk zijn ze van de zilversmid jean Baptiste Lange die in die tijd in Parijs werkte. Twee van zijn initialen komen overeen met die in de restanten van het meesterteken. ‘Grand tour’ Deze oude couverts waren omstreeks 1780 in het bezit van het echtpaar Carel George graafvan Wassenaer Obdam (1733-1800) en Jacoba Elisabeth van Strijen (1741-1816), want zij lieten toen door de Haagse zilver ­ smid Godertvan IJsseldijk nieuwe exempla ­ ren van hetzelfde model bijmaken. Er zijn toen 00k messen gemaakt met een nieuw model heft, bijpassende soep- en groente- lepels en een trancheerbestek. De couverts en het schepwerk werden gebruikt bij het al Franse couverts uit de collectie van Twickel