pagina 12 zomer 1998

Al doende leert men vertellen over het kasteel Nieuwe rondleiders voelen zich thuis in het sfeervolle huis van Twickel Wie heeft er niet eens met familie, vrienden van buiten Twente gestaan voor de poort van kasteel Twickel, wijzend op het voorfront, de torens van verschillende vorm en bouw- jaar, de ophaalbrug, de bouwhuizen links en rechts en niet te vergeten de schitterende tuin met de oranjerie? Een unieke plek, waar het goed toeven, maar ook goed ’toeren’ is. Ank Bevers-Duyzings De Zuidtorenkamer met de portretten van R.F. van Heeckeren van WassenaerenM.A.M.A. vanAldenburg Benlinck. In het midden een pas- telportret van de moeder van de baron, Isabelle Sloet van Toutenburg. Foto: W.K. Steffen, 1959. Na gevraagd te zijn of ik wilde meehelpen bij het ont- vangen van bezoekers bleek alras dat het rondleiden een ‘uitdagende’ bezigheid is. Om iets met overtuiging te kun- nen vertellen moet daar wel enig studiewerk aan vooraf- gaan. Men zou kunnen spreken van het volgen van een opleiding. De groep rondleidsters in spe werd eind maart ontvangen door een bestuurslid van de Stichting, de huidi- ge bewoner en zijn zoon, de beheerder en zijn vrouw als- ook de oudgedienden in het vak. In de benedengalerij wer- den wij binnen geleid in de geheimen van de geschiedenis van het kasteel en zijn bewoners vanaf 1347 tot heden en het hoe en waarom van het rondleiden. Dit alles gevolgd door een rondgang onder zeer deskundige leiding. Het opleidingsschema bood diverse keren de mogelijkheid het kasteel te bezoeken met het doel kennis van zaken in de allerruimste zin van het woord op te doen: kennis vereist om bij zelfstandig rondleiden doorte geven. Aanjagers Om ons niet al te abrupt in het diepe te gooien werd besloten dat de nieuwelingen de eerste periode als ‘aanja- ger’ (niet te verwarren met opjager) zouden fungeren en meelopen. Aanjagen houdt in dat men erop toeziet dat de groep, hooguit vijftien personen, bijeen blijft, de rondleid- ster goed volgt, de tijd (vijf kwartier) in de gaten houdt en, hoe vervelend ook, dat men erop toeziet dat de bezoekers de kostbare spullen niet aanraken, op het meubilair gaan zitten of ertegenaan leunen. Om al die functies op een char- mante wijze te kunnen vervullen is het mij niet echt moge- lijk gebleken ook nog naar de rondleidster te luisteren. Echter, je leert de weg en de te volgen route kennen en dat is al heel belangrijk. In het begin dwarrelt alle informatie over geschiedenis, boeken, muziek, zilver, porselein, marquetterie, schilde- rijen, geportretteerden en wat dies meer zij, als stuif- sneeuw over je heen. Ineens lijkt iedereen en alles op elkaar en word je het spoor bijster. Maar ja niet getreurd, al doen ­ de leert men is achteraf bezien, weer eens bewaarheid geworden. Examentje Eind augustus werden wij, na een rustperiode waarin de vergaarde kennis weer was weggegleden, voor een exa ­ mentje uitgenodigd. Een proefrondleiding in het hoi van de leeuw. De zenuwen en de verwachtingen waren, wel van- uit geheel verschillende invalshoek hoog gespannen. De ervaren rondleidsters luisterden zeer geinteresseerd naar de uitleg door de nieuwelingen, die daar zeker moeite mee hadden. Zeer waardevol vond ik zelf de rondgang op een ochtend met een rondleidster die op dat moment mijn gehoor was en voor wie ik in vijf kwartier Twickel ‘bewoond en bekend’ moest maken. Deze oefening heeft mij over de drempel geholpen en onmiddellijk met ver- trouwen en veel plezierin de zelfstandige rondleiding doen storten. Weten wij nu alles van Twickel? Nee natuurlijk. Met raakvlakken en dwarsverbindingen zul je altijd bezig blij- ven, alsook met het doen van naspeuringen in die richting. Wat wel over je heen komt is het enthousiasme om van deze complexe geschiedenis voor jezelf een beeld te vor- men, naar eigen belangstelling uit te breiden en zodoende dejuiste entourage te scheppen voor een luchtige, speelse, doch leerzame rondleiding alsook een gastvrij onthaal. Gezellige sfeer Van de rond te leiden groepen is ook veel te leren. Wat mij de laatste keren is opgevallen: bijvoorbeeld met betrekking tot de Zuidtorenkamer is dat, voordat ik mijn zegje wilde doen, al de opmerking naar voren kwam: “Wat een gezellige, knusse kamer. Wat een sfeer”. Hieruitblijkt, zo dunkt mij, duidelijk dat de mensen dejuiste sfeer oppak- ken die Twickel graag binnen haar muren wil verspreiden. De Zuidtorenkamer was immers een plek waar de laatste bewoners zich zeer thuis voelden, en waar zij graag hun gasten ontvingen.