pagina 12 voorjaar 2008

De Twentse duivel si a at terug Woedend was hij, Adolf Hendrik van Raesfelt (1625-1682), heer van Twickel en drost van Twente. De roddels die over hem de ronde deden, aangewakkerd door anonieme schotschriften en pamfletten, logen er dan 00k niet om. Nu was de tijd aangebroken om zelfin actie te komen. Amadea Isabella van Raesfelt – Flodorjf. Adolf Hendrik van Raesfelt. Dat hij werd uitgescholden, vond hij nog niet eens het ergst. Zo noemde men hem wel de Overijsselse Cromwell, naar de man die zichzelf tot dictator van Engeland had aangesteld, nadat hij eerst de koning had laten onthoofden. Of de razende Twentse duivel, met een woordspeling op zijn fami- lienaam. Of de witte duivel, verwijzend naar naam van de raadspensionaris Johan de Witt, wiens politieke geestverwant hij werd verondersteld te zijn. Nee, subtiel waren de mores in Overijssel bepaald niet, maar daar kon Adolf Hendrik van Raesfelt nog wel mee leven. Veel harder troffen hem de beschuldigin- gen van landverraad en zelfverrij king, van list en bedrog, van vriendjespolitiek en machtsmisbruik die nu al jaren over hem werden uitgestort. En de roddels natuur- lijk, zoals dat hij zich in Deventer in een tuin langs de IJssel onwelvoeglijk zou heb- ben gedragen jegens enige vrouwsperso- nen. Of dat hij in dezelfde stad de beiaar- dier had verboden om het Wilhelmus te spelen ter ere van de ontvangst van prins van Oranje. Of dat hij de eer van zijn ambt had bezoedeld, toen hij tijdens de viering van het Heilig Avondmaal in Delden niet in de magistraatsbank, maar op een krukje achter een pilaar had plaatsgenomen. Misschien had hij 00k dat allemaal nog voor lief kunnen nemen, als zijn tegenstan- ders niet de eer van zijn voorvaderen had- den bezoedeld, door te beweren dat de Raesfelts armoedzaaiers waren die zich op dubieuze wijze van het familiekapitaal van de Van Twickelo’s meester hadden gemaakt. Of door de beschuldiging dat zijn overgrootvader Coossen de juffers van Beckum op de brandstapel had gezet om zich hun bezittingen toe te eigenen. Nee, alles bij elkaar vond hij het nu genoeg geweest, het werd nu tijd om zelfin het geweer te komen. Dat deed hij overigens met tegenzin, als we hem mogen geloven. Om zich te verde- digen moest hij immers op eigen daden roemen, hetgeen volgens hem strijdig was met de bescheidenheid die de ware edel- man kenmerkte. Maar het moest maar. In de gegeven omstandigheden kon hij niet anders. En zo begon hij op een dag in het jaar 1673 te schrijven. Dagen achter elkaar, soms tot diep in de nacht, als zijn ogen in het kaarslicht nauwelijks nog de letters konden lezen. Toen hij klaar was, had hij meer dan 250 bladzijden vol geschreven, een kleine 43.000 woorden. ‘In juli 1673 opgestelt bij mijselfs’, besloot hij zijn tekst, die inmid- dels was uitgegroeid tot een soort politiek testament. Hij voegde er nog een spreuk aan toe: sae- vis tranquillus in undis, latijn voor: rustig op de woelige baren. Pikant was het zeker, die spreuk, want uitgerekend deze spreuk was het levensmotto geweest van Willem van Oranje, de Vader des Vaderlands. Pikant omdat Adolf Hendrik zich zijn hele leven tegen de benoeming van een Oranje tot stadshouder van Overijssel had verzet. Het levensmotto van de Vader des Vaderlands nu tot het zijne maken was op zijn minst opmerkelijk. Daar hij had dan 00k zo zijn redenen voor, zoals later nog zal blijken. Nadat Adolf Hendrik zijn manuscript had voltooid, werd het onder de titel Summaire Apologicque Deductie opgeborgen in het huisarchief. Voor zover ik heb kunnen nagaan, is het nooit in druk verschenen. Evenmin heeft iemand het daarna nog gelezen. Van het bestaan ervan kwam ik in 1990 op de hoogte, toen ik in opdracht van de stichting Twickel een boek schreef over de voltooing van de inventarisatie van het huisarchief. Gelegenheid om het te lezen was er toen niet. Tot januari 2007. Vele uren heb ik inmiddels aan het ontcij- feren van het handschrift besteed en het was de moeite waard. Niet alleen was het spannend om Adolf Hendrik na zoveel jaren zelf te horen spreken, 00k de inhoud van zijn verhaal was enerverend. Lezend in zijn politieke autobiografle kwam ik terecht in een periode (1648-1672) die als een van de roerigste in de politieke geschiedenis van Overijssel te boek staat. Met notabene Adolf Hendrik zelf als een van de hoofdrol- spelers!