pagina 12 lente 1998

rond Hengelo kreeg de twijfelachtige eer de hoogste prio- riteit te krijgen van alle gevallen van waterbodemveront- reiniging in Overijssel. Daarop werd onder auspicien van de provincie een zogenaamd nader onderzoek gestart ter bepaling van de grenzen van de verontreiniging en de emst en urgentie van de sanering. Hierbij bleek dat de eisen waar het nader onderzoek aan moest voldoen wel erg sterk waren geent op gevallen van landbodemverontreiniging. Vaak moest het ministerie van VROM worden overtuigd van een noodza- kelijke afwijking van de regels. Nadat in het nader onderzoek binnen het geval een kemgebied was bepaald, volgde een saneringsonderzoek waarin in grote lijn een keus werd gemaakt uit het verwij- deren of het beheersen van de verontreiniging. In het geval van de vijf beken, zoals de naam werd, was de conclusie dat verwijdering van alle specie die uit oogpunt van versprei- ding direct gevaar opleverde noodzakelijk was. Dit werd nog versterkt door het effect van de verontreiniging op het ecosysteem in de beken. Sanering In een zogenaamd saneringsplan is vervolgens de tech- nische uitwerking van de sanering beschreven. In het geval van de vijf beken is in het saneringsplan een keus gemaakt uit het “in den natte” uitvoeren van de sanering of het “in den droge” uitvoeren. Vanwege de mogelijkheid om water uit bovenstroomse gebieden om te leiden en andere voor- delen is gekozen voor het droog uitvoeren. Met name in het laatste stadium van het opstellen van de plannen is door overleg met de Stichting Twickel getracht de gevolgen voor het landgoed te minimaliseren. Door een wijziging in de wetgeving berust de verant- woording voor een sanering sinds 1 augustus 1997 bij het waterschap. In opdracht van het waterschap Regge en Dinkel is daarom eind augustus 1997 gestart met de sane ­ ring van de Omloopleiding. Vervolgens is eind September een start gemaakt met zowel de Woolderbinnenbeek als de Oelerbeek. In april 1998 zal het werk aan de Azelerbeek starten en in September 1998 zal de Twickelervaart tussen het Twentekanaal en de Noordmolen worden uitgevoerd. Om het verontreinigde slib uit de bodem te kunnen ver- wijderen wordt de beek stukje bij beetje drooggepompt en wordt waar nodig her en der wat hout verwijderd. Vervolgens wordt een tijdelijke weg van stalen platen aan- gelegd. Het ontgraven van het slib gaat met een graafma- chine. Het slib wordt met een tweede graafmachine op een vrachtwagen geladen die het slib tijdelijk naar de vuilstort- plaats Boeldershoek brengt. Daar wordt het slib te drogen gelegd, om het later te kunnen bewerken en af te voeren naar een depot voor (waterbodem)slib in het Ketelmeer. Helaas zijn niet alleen de bodems, maar ook de taluds en bermen verontreinigd. Deze grand wordt ook afgegraven en naar Boeldershoek gebracht. Als de verontreiniging is verwijderd wordt door het nemen van monsters en het ana- lyseren daarvan gecontroleerd of de beek voldoende schoon is geworden. Waterscheiding Direct na de sanering wordt een belangrijke stap in het doorvoeren van de scheiding van water uit stedelijk en lan- delijk gebied genomen door de koppeling tussen de Woolderbinnenbeek en de Oelerbeek te verbreken. Omdat het water uit het landelijk gebied minder kwik bevat wor ­ den de Oelerbeek, de Twickelervaart en de Azelerbeek schoner gemaakt dan de Woolderbinnenbeek. Als uit de analyses blijkt dat het traject niet voldoende schoon is, dan wordt dat gedeelte nogmaals gesaneerd. Om tijdens het werk geen last te krijgen met water dat van bovenstrooms aankomt, wordt op sommige punten water overgepompt. Zo is ook in het weiland tegenover Carelshaven een tijdelijke beek gegraven die het water van de Oelerbeek naar de Twickelervaart brengt. Als de Oelerbeek klaar is (naar verwachting eind februari 1998) dan zal het waterschap deze tijdelijke beek weer dicht- gooien. De voorste machine graaft het slib af. De tweede machine laadt het slib op eei