pagina 11 winter 1999

waarderen’. Van een volgend bezoek aan het Louvre in 1838 heeft Comelie het uitgebreide verslag geschreven, dat in het bij dit artikel behorende kader volledig is over- genomen. Kunstaankopen Na haar in 1831 gesloten huwelijk onderging Twickel een kleine metamorfose. Voor de modemisering van de tuin en het park riepen Comelie en haar echtgenoot Jacob Derk Carel van Heeckeren de hulp in van de landschapsar- chitect J.D. Zocher. In het kasteel werd het interieur aan- gepakt. Na het witten van de plafonds in 1831, ging men in 1832 door met het witten en verven van enige kamers. Een bibliothecaris uit Utrecht richtte de bibliotheek in terwijl een restaurator uit Hilversum de familieportretten onder handen nam. In Den Haag, maar vooral ook tijdens de hierboven aan- gehaalde verblijven in Parijs kocht het echtpaar ruim in voor de decoratie van het vemieuwde huis. Spiegels, die toen gemaakt werden volgens een nieuwe techniek, meu- bels, aquarellen en bronzen beelden, vaak copieen van bekende antieke beelden in het Louvre. In vakantieplaat- sen kocht men als reissouvenir nogal wat aquarellen en prenten met mstieke onderwerpen als een waterval, een watermolen en een gletscher. In de loop der jaren legde echtgenoot Jacob Derk Carel zich toe op het verzamelen van eigentijdse schilderijen. In het Huisarchief is een register bewaard gebleven, waarin hij vanaf 1837 zijn aankopen noteerde met vermelding van de prijs en de verkoper. In latere jaren, met name vanaf 1845 kocht Van Heeckeren direct aan van de schilder, onder meer van Van Schelfhout, Waldorp en Bosboom. Deze bekende schilders werden goed betaald. Comelie was het met deze dure aankopen soms niet helemaal eens. In een van haar brieven aan haar man laatzij op zeer diplomatieke wijze weten: ‘Eergisteren heb ik uw brief van zondag 20januari ontvangen metderekening van de gekochte schilderijen. Ik feliciteer u met uw aanwinsten en hoop dat u er alle mogelijke voldoening van zult hebben. Ik heb hier slechts gezegd, wat u mij toe staat te zeggen’. Van Heeckeren heeft de laatste brieven die Comelie aan hem schreef en waarin deze passage voorkomt zorgvuldig bewaard. Haar opmerking over de dure schilderijen heeft hij zich echter niet ter harte genomen. Hij bleef verzame ­ len tot zijn overlijden in 1875. Twickel dankt daaraan het bezit van een schitterende collectie schilderijen uit de negentiende eeuw. Bronnen: Huisarchief Twickel: Geschreven zelfportret van Agnes van Wasse- naer Obdam (inv.nr. 338) en Stukken van persoonlijke aard van Marie Comelie van Wassenaer Obdam Prentencollectie kasteel Twickel Reisjoumalen van Marie Cornelie van Wassenaer Obdam in kasteel Weldam * Alle citaten zijn vertaald uit het Frans. men naar rechts om de kant te zien die de Seine volgt. Deze zijde heeft een dubbele rij appartementen. De ene is het Egyptisch museum, gesticht door Charles X dat wij al in 1834 hebben gezien, met zijn prachtige geschilderde plafonds en zijn muren met grisailles die zo goed een relief nabootsen. Dit gedeelte biedt uitzicht op de binnenplaats. De zijde die uitgeeft op de rivier, is gewijd aan schilderij ­ en, oude meubels en curiosa in verschillende stijlen. Ik her- inner me vandaar in 1821 met mama de stoet voor de doop van de hertog van Bordeaux in de Notre Dame te hebben gezien. Van de schilderijen herkende ik er verschillende die zich daarvoor in het Luxembourg bevonden: de zeege- zichten van Vemet, de Atala van Girodet etc. Aan het eind van deze zijde is de trap die naar het museum van oude kunst leidt. Maar in plaats van naar beneden te gaan kun je nog naar rechts naar verschillende vertrekken met een grote verzameling tekeningen en schetsen van de beste meesters, die in vitrines worden getoond en waarvan de catalogi er rond omheen in kasten staan. De plafonds van deze appartementen zijn kort geleden beschilderd met allegorische voorstellingen uit de geschie- denis van Frankrijk. Ze zijn net zo fraai als die in het muse ­ um Charles X. Rest nog de vierde zijde van het Louvre die het maritie- me museum omvat, dat ik in mijn reisverhaal van 1834 heb beschreven. In dit gedeelte waren zo veel bezoekers, dat we door de menigte moesten steken zonder stil te staan om iets te zien. Al deze vertrekken zijn goed verwarmd. We daalden af langs dezelfde trap die we daarvoor haddenbes- tegen. Het speet me dat ik niet had geteld door hoeveel ver ­ trekken we waren gekomen. M.C. van Wassenaer Obdam