pagina 11 voorjaar 2011

koude en natte klimatologische periode, werd hoofdzakelijk gewoond en geakkerd op hooggelegen, droge zandruggen. Op deze ruggen was sprake van compacte nederzettingen met kleine boerderijen. Dit staat in scherp contrast met de grote omvang van de op vochtige, lemige bodems gelegen erven uit de Midden en Late IJzertijd (550 tot 12 voor Chr.) en de Vroeg Romeinse tijd (12 voor tot 70 na Chr.) , waarvan op het noordelijke deel van de Azeler Es resten zijn aangesneden. Een warmer en droger klimaat vanaf de 5e eeuw voor Chr. maakte ‘kolonisatie’ van relatief laag gelegen en voorheen zeer natte delen van het landschap mogelijk. De neder ­ zettingen uit deze perioden kenmerken zich door vele waterkuilen en -putten en tientallen kleine bijgebouwen binnen een straal van 100 tot 150 meter van de boerde ­ rijen. Tijdens de opgravingen op de Azeler Es zijn naast diverse waterkuilen, de resten van verscheidene kleine schuurtjes (spiekers) ten behoeve van de opslag van graan gevonden. De bewoners van de Azeler Es begroeven in deze tijd hun doden niet ver van hun boerderijen. Dat blijkt uit de vondst van twee graven uit de Vroeg Romeinse tijd met de resten van gecremeerde doden op een hoge zandkop ten zuiden van de Craasweg. Aan een van de doden was een grote bronzen mantelspeld of fibula mee- geven. De fibula is van een type dat in de eerste eeuw van onze jaartelling vooral door Romeinse soldaten werd gedragen. In onze streken worden ze vooral in graven van Germaanse vrouwen gevonden. Scheplepei In het begin van de Romeinse tijd (15 voor tot 450 na Chr.) verslechterde het klimaat. Vanwege stijgende grondwaterstanden werden lage delen van het landschap door hun bewoners verlaten. Net als in de Vroege IJzertijd concentreerde de bewo- ning zich weer in relatief hooggelegen, droge gebieden in het zuiden van de Azeler Es. Hier werd in 2004 naast sporen van gebouwen een diepe Germaanse waterput gevonden. De put, die door middel van onderzoek aan jaarringen van het bewaard gebleven hout in 272 na Chr. is gedateerd, bevatte naast scherven aarde- werk fragmenten van twaalf Romeinse bronzen voorwerpen. Het is de grootste vondst van Romeinse bronzen voorwerpen in Twente. Het gaat, gezien de bewerkings- sporen, om schroot dat was gereedge- Waterput (uitgeholde boomstam) uit de Merovingische tijd. Bolle middeleeuwse akkerbedden onder maakt om te worden omgesmolten. tiij- zonder zijn grote fragmenten van enkele wijnzeven. Het fraaist is echter een hand- vat van een scheplepei in de vorm van een Romeinse godin. Na de Romeinse tijd nam de bevolkings- dichtheid in Oost-Nederland sterk af en was 00k Twente grotendeels verlaten. Groot was dan 00k de verrassing toen tijdens het onderzoek van afgelopen zomer op het hooggelegen noordelijke deel van de Azeler Es nederzettingssporen uit de Merovingische tijd (450-725 na Chr.) te voorschijn kwamen. Het betrof enkele waterputten, kuilen en een deel van een boerderij. Analyse van de opgegraven spo ­ ren en voorwerpen zal ongetwijfeld interes- sante gegevens met betrekking tot deze nederzetting en zijn bewoners opleveren. Uit de Karolingische tijd (725-900 na Chr.), de Ottoonse tijd (900-1050 na Chr.) en de Late Middeleeuwen (1050-1500 na Chr.) is een groot aantal vondsten gedaan. Sporen van nederzettingen zijn echter niet aan- getroffen. In de warme en droge Ottoonse tijd werden de boerderijen naar lage gebie- een Romeinse godin. den langs de rand van de huidige es ver- plaatst waar de oude Azeler erven zich nu nog bevinden. De Azeler Es was vanaf die tijd permanent als akkerland in gebruik. Tijdens de opgravingen zijn op veel plaat- sen resten van hoog opgeploegde akkers’ (akkerbedden) uit deze tijd gevon ­ den. Hoewel deze vanaf de i6e eeuw gelei- delijk onder een meer dan een meter dik esdek zijn verdwenen, is hun karakteristie- ke relief tegenwoordig nog voor een geoefend oog aan het maaiveld zichtbaar. Huub Scholte Lubberink b[ Cerben Zielman RAAP Oost-Nederland